Waarom we geen Chinees lezen

Boeken die in China miljoenen verkopen, slaan in ons land niet aan.

Wel verslinden we romans vol romantische China-clichés en sterke vrouwen.

Bekende clichébeelden van het oude China doen het goed bij de Nederlandse lezer. Foto Hollandse Hoogte Photo nr MM141837 Chi China , Yunnan ; Dali, Three Pagodas in the Chongshengsi Temple, Dali's major touristic attraction 10.09.1999 © Marcel Malherbe Malherbe, Marcel;Hollandse Hoogte

De Nederlander lijkt zeer gefascineerd te zijn door de Chinese cultuur. Tentoonstellingen als Go China! Assen-Groningen trekken horden bezoekers en bij Chinese films zitten de zalen vol. Maar gek genoeg blijft de Chinese literatuur vooralsnog een ondergeschoven kindje.

Regelmatig verschijnen er in Nederland boeken die in China zelf een miljoenenoplage kennen, terwijl ze hier geen groot publiek bereiken. Dat komt onder meer omdat moderne Chinese romans nog sterk in de traditie van het land staan. Daarin zijn literatuur en maatschappij altijd nauw met elkaar verbonden geweest. Literatuur moest getuigen van de wereld om de schrijver heen en veel minder van de binnenwereld van de schrijver. De poëzie, die traditioneel als het hoogste literaire genre werd beschouwd, vormde altijd de neerslag van een concrete ervaring, maar getuigde vooral van een aardse, naar buiten gerichte blik. De ziel van de schrijver werd eerder verhuld dan onthuld.

De geringe weerklank van Chinese literatuur in Nederland komt aan de orde in Chinese literatuur. Aards maar bevlogen van Mark Leenhouts. Aan de hand van de belangrijkste werken zet hij de ontwikkeling van de moderne Chinese roman sinds het begin van de 20ste eeuw uiteen. Hij bevestigt dat die literatuur de westerse lezer diep in het vreemde onderdompelt – veel dieper dan bij succesvolle ‘exotische’ schrijvers als Gabriel García Márquez of Salman Rushdie. Een belangrijk verschil ligt erin dat die laatste schrijvers diep geworteld zijn in de westerse literaire tradities. Voor moderne Chinese schrijvers geldt dat niet, of in veel mindere mate.

Geheel in lijn met de Chinese literaire traditie volgt ook de moderne romanschrijver de buitenwereld van dichtbij. De meeste romans, zowel klassiek als modern, vertellen vooral wat er gebeurt, zonder in te gaan op het waarom. Zelfs het magisch realistische wordt nuchter en sec in het verhaal verweven. Westerse critici en lezers hebben daar moeite mee, ze zien er vaak een gebrek aan psychologische diepgang in. Een ander veelgehoord bezwaar hangt daarmee samen: de afwezigheid van een dwingend plot; eenheid wordt op een andere manier bewerkstelligd, bijvoorbeeld door middel van contrasterende personages.

Leenhouts verklaart het geringe succes vooral door het verschil in literaire vorm. Aan de typisch Chinese context van de romans ligt het niet, meent hij, want die is niet anders dan in Chinese films, die wel in trek zijn.

Niet overal in Europa heeft de Chinese literatuur het trouwens moeilijk. In Frankrijk is het aanbod veel groter. Vuistdikke klassieke romans als De droom van de rode kamer, Het verhaal van de wateroever en De reis naar het westen zijn integraal vertaald en opgenomen in de prestigieuze Pléiade-reeks. Zelfs Taiwan wordt niet over het hoofd gezien, getuige vertalingen van onder meer Wang Wenxing, Guo Zheng en Zhang Dachun: schrijvers die in het Westen volkomen onbekend zijn, maar in eigen land een status hebben die vergelijkbaar is met die van Cees Nooteboom of Arnon Grunberg bij ons.

Maar de Nederlandse markt is kleiner, wat de uitgevers ook voorzichtig maakt. Vrijwel elke Nederlandse uitgever heeft wel een Chinees boek in zijn fonds, maar meestal blijft het bij één titel. De Geus is de enige uitgeverij die wel een klein Chinees fonds heeft opgebouwd, met namen als Han Shaogong, Su Tong, Yu Hua en Pai Hsien-yung. Zij vormen, met anderen, het summum van de Chinese literatuur, maar worden hier nauwelijks opgemerkt.

Totaal anders is het gesteld met boeken als Jung Changs Wilde zwanen (1992) en Lulu Wangs Het Lelietheater (1997), die strikt gezien niet onder de Chinese literatuur vallen, omdat ze niet in het Chinees zijn geschreven, door schrijfsters die hun vaderland op dat moment al enige tijd hadden verlaten. Beide boeken verhalen de lotgevallen van een meisje tijdens de Culturele Revolutie in China en geven en passant veel uitleg over de Chinese geschiedenis, maatschappij, cultuur et cetera. Voor de Chinese lezer zijn ze daarom weinig interessant.

Door het succes van deze boeken lijkt de Nederlandse markt zich te richten op boeken van vrouwen over sterke vrouwen. Vaak gaan ze over een historische vrouw die zich door een woelige tijd heen sleept. Ze volgen allemaal hetzelfde patroon; de titels, omslagen en licht romantische invalshoeken zijn inwisselbaar.

Lijnrecht tegenover dit soort romans, die vooral de bekende clichébeelden van het oude China oproepen, staat een andere categorie van opnieuw vrouwelijke auteurs: hippe jonge schrijfsters uit China zelf, zoals Mian Mian, Wei Hui en Yin Lichuan, met romans over het (post)moderne stadsleven, waarin drank, drugs en seks de boventoon voeren.

Deze vrouwentrend bewijst nog maar eens dat de meeste lezers en uitgevers vooral het bekende zoeken: het glorieuze keizerrijk van weleer, het land van de communistische dictatuur, het land van de economische boom – dat is waar een Chinese roman over hóórt te gaan. En die bekende verhalen werken des te beter vanuit het perspectief van een onafhankelijke vrouw die tot wasdom komt.

Gezien het stof dat sommige van de genoemde boeken in China of internationaal hebben doen opwaaien, is het op zichzelf een goede zaak dat ze ook bij ons verschijnen, maar het is jammer dat er niet ook wat meer ruimte is voor hedendaagse auteurs die een ander geluid laten horen.

Meer over Chinese literatuur: http://www.tragevuur.com/

Mark Leenhouts: Chinese literatuur van nu. Aards maar bevlogen. De Geus, 208 blz. € 24,90