Troost voor de Melchings van toen en later

Waarom hebben sommige historici in het afgelopen televisieseizoen zo kribbig gereageerd op de serie In Europa? De Amsterdammer Willem Melching, die de aanval opende, had na vier afleveringen al ‘talloze feitelijke onjuistheden’ geteld en noemde er een paar. Altijd vervelend om zo betrapt te worden. Zelf ben ik kortgeleden zo dom geweest om in een bespreking van Halberstams boek over de Korea-oorlog Roosevelt niet in 1945 maar in 1944 te laten sterven, en ik kreeg een reprimande van de Leidse amerikanist Lammers. Het opvallendste aan zijn berisping was overigens dat hij mijn slordigheid nadrukkelijk associeerde met Geert Mak – alsof dat voortaan de soortnaam moet worden voor historische beunhazen die er in krantenartikelen en televisieprogramma’s maar onbevoegd op los leuteren. Dat wees op méér dan incidentele ergernis van een insider.

Melching beschuldigde Mak ook van gebrek aan ‘visie en wetenschappelijke analyse’, en het zou zijn kritiek wat fundamenteler hebben gemaakt als hij dat verwijt had onderbouwd: dan was hij misschien in de buurt gekomen van een nadere verklaring voor de humeurigheid die de serie bij hem en zijn vakgenoten blijkbaar had opgeroepen. Maar hij hield zich verder op de vlakte.

Was zijn oprisping een kwestie van geleerden-ponteneur? Speelde het dedain mee dat intellectuelen altijd hebben gekoesterd jegens beeld in het algemeen en bewegende beelden in het bijzonder? Vinden ze geschiedenis te belangrijk om er op een andere manier over te discussiëren en van te getuigen dan met de pen? Geschiedschrijvers zijn ons vertrouwd. Geschiedfilmers moeten nog maar laten zien wat ze aan visie en wetenschappelijke analyse in huis hebben.

Er is geen twijfel aan dat een per film (of televisie) verteld geschiedverhaal, zoals ons door Mak wordt aangeboden, aan een intrinsieke zwakheid lijdt die je misschien ook wel onwetenschappelijkheid mag noemen. Film (en dus ook televisie) zijn van zichzelf eendimensionale media, de beelden waaruit ze bestaan zijn plat, eendimensionaal en ambivalent in hun informatie, totaal ongeschikt voor zoiets abstracts als analyse, en in combinatie met het commentaar waarmee ze moeten worden toegelicht, in hoge mate manipuleerbaar. Met bestaand filmarchiefmateriaal kun je zonder enig probleem ‘bewijzen’ dat Lenin en Stalin humane staatslieden zijn geweest. Het lukt zelfs met Hitler.

Dat stemt historici tot diep wantrouwen. Het verplicht makers van historische documentaires tot zoveel omzichtigheid dat het resultaat van hun angstvalligheid soms onverteerbaar wordt. Vijftig jaar na het begin van de Spaanse Burgeroorlog, en twaalf jaar na de dood van Franco durfde de Spaanse publieke omroep een terugblik aan. Omdat het onderwerp nog steeds gevoelig lag, werd aan tien diverse hoogleraren geschiedenis, van Bilbao tot de Balearen, de opdracht gegeven om samen een scenario en de bijbehorende commentaarteksten te schrijven. In feite voerden ze ook de regie, want de eigenlijke ‘maker’ mocht alleen productioneel en technisch uitvoeren wat zij voorschreven. De dertig(!)delige serie bleek tenslotte niet om aan te zien.

Geert Mak heeft het terecht minder nauw genomen. Hij baseerde zich op een idée reçue (dankzij onmondige massa’s konden zich in Rusland, Italië en Duitsland in de vroege 20ste eeuw dictaturen ontwikkelen) en zorgde dat archiefbeelden (plus het eigen interpreterende commentaar) zijn visie bevestigden. Het meest ‘historische’ en aantrekkelijke aan de serie zat ook niet in de visie, maar in de mini- documentairescènes waarin met overlevenden en nazaten werd nabeschouwd.

Als Mak zich volgend seizoen aan de juiste jaartallen houdt en het oude Habsburgse Rijk niet meer aan de Zwarte Zee laat grenzen, hebben de Melchings niks meer te klagen: een zeer groot kijkerspubliek krijgt de meest spectaculaire gebeurtenissen van een cruciale Europese eeuw hapklaar thuis opgediend, en misschien ontbreekt er een fundamenteel-wetenschappelijke visie aan – maar daar hadden we toch juist vaklieden als Willem Melching voor?

‘Geen wetenschap’, schreef Johan Huizinga in een opstel uit 1926 (nergens televisie te bekennen, film had nog niet eens geluid), ‘heeft haar poorten zoo wijd openstaan naar de zijde van het groote publiek als de geschiedenis. In geen andere is de overgang van den dilettant naar den vakman zoo geleidelijk als hier. Bijzondere voorkennis van wetenschappelijken aard is nergens zoo weinig vereischt als tot historisch verstaan of historisch werkzaam zijn. De geschiedenis is te allen tijde veel meer gegroeid in het leven dan in de school’.

Huizinga had toen misschien gemakkelijk praten: in 1926 hadden woorden nog het intellectuele monopolie. Ook hij (die in radio al tekenen zag van cultuurverval) zou waarschijnlijk een hard hoofd hebben gehad in een aanstaand televisieseizoen waarin het met Andere Tijden, het vervolg van Geert Mak, en een prestigieuze achtdelige serie naar de canon van Van Oostrom, ongeveer zal barsten van de dilettantengeschiedenis.

Alle geschiedschrijving, vond Huizinga, heeft contact nodig met de nationale cultuur, en kan zeker ook niet zonder ‘de ijverige belangstelling van het ontwikkelde publiek’. Natuurlijk, troostte hij de Melchings van toen en later, blijft er genoeg werk over voor het wetenschappelijk vakwerk. ‘Doch het groote beeld van het verleden, dat achter al dien arbeid ligt of er boven zweeft, blijft wel degelijk de zaak van allen’.

Als er maar niet al te veel stomme fouten worden gemaakt.