Toevallig eerbetoon aan Kees Fens

Dinsdagavond, toen het land en het tv-scherm weer opdringerig oranje waren gekleurd, zag ik de documentaire die Hans Keller over Kees Fens heeft gemaakt. Dinsdagavond ja, want maandagavond had ik geen zin in nachtbrakerij. De uitzending begon pas tegen middernacht. Eerder wilde de netmanager deze aflevering van Het uur van de wolf niet programmeren. Zoiets elitairs zou alleen maar kijkers hebben weggejaagd, moet hij hebben gedacht.

Dat er op dat bar late uur toch nog 87.000 mensen hebben gekeken – zoals uit het kijkcijferonderzoek blijkt – mag een wonder heten.

Het gaf een prettig gevoel voor zo’n fijnzinnig cultureel programma te kiezen, dat geef ik meteen toe. Het had bijna iets demonstratiefs om niet te willen meedoen aan het massagedrag van de 7,3 miljoen landgenoten die op datzelfde moment als vanzelfsprekend voor het voetbal kozen. Alsof ik wilde aantonen dat ik me daar natuurlijk ver boven verheven voelde. En alsof Kees Fens zelf niet óók die avond naar Nederland-Roemenië zou hebben gekeken. De dit weekeinde gestorven criticus en essayist hield zich immers niet alleen met de schone kunsten bezig. Hij was tegelijk een hartstochtelijk voetballiefhebber.

Kees Fens, erfgenaam van een lege hemel viel me eerlijk gezegd niet mee. De film begon heel mooi en een beetje ontroerend, met Fens’ verblufte reactie op het weerzien van de – nu in verval geraakte – kerk van zijn jeugd. En ook daarna, toen hij begon uit te wijden over zijn favoriete kathedralen en kloosters in Frankrijk, bleef hij een ideaal verteller bij de door Keller vertoonde beelden van die locaties. Als het daarbij was gebleven, zou ik deze film hebben geprezen als een contemplatieve reisfilm met een begenadigd leidsman.

Maar zo ging het niet. Opeens volgden er nog wat uitspraken over het eerste proza (Fulco de minstreel van C.Joh. Kievit) en de eerste poëzie (Slauerhoff) die de jonge Fens de ogen hadden geopend voor de verrukkingen van de literatuur. Aardig om te horen, maar het hing er maar een beetje bij en het was veel te weinig om de geïnterviewde goed te kunnen portretteren. Keller had moeten kiezen, leek me: een film over Fens’ bedevaartsoorden of een film over de gehele Fens. Nu begon hij met het eerste, en probeerde veel te laat toch ook nog een gooi te doen naar het tweede.

Dat de documentaire juist op de maandag na Fens’ overlijden werd uitgezonden, is puur toeval. Dat was al weken geleden gepland. Maar als Keller niet op het idee was gekomen om deze film te maken, had de televisie Fens niet kunnen herdenken. Een blik in de omroeparchieven van het Instituut voor Beeld en Geluid leert dat er maar één keer eerder een tv-portret over de criticus is gemaakt: in 1990, door het programma NOS Laat, toen Fens de P.C. Hooftprijs kreeg. Dat duurde 8,5 minuut.

Keller heeft de tv-eer dus te elfder ure nog kunnen redden. Maar denk eens aan al die andere oudere kunstenaars over wie nog nooit een volwaardige documentaire is gemaakt.