Storm

Toen ze de tram binnenstapte, herkende ik haar vaag, ik zag vooral iets bekends in haar nog altijd ranke gestalte. Pas bij haar nadering wist ik zeker dat het Hella was. Ze lachte vriendelijk naar me, terwijl ze op de vrije plaats naast me ging zitten.

„Dat is alweer even geleden”, zei ze.

„Een jaartje. Wat doe je in deze buurt?”

„Een journalist blijft nieuwsgierig”, glimlachte ze. „Ik woon hier tijdelijk op m’n eentje. Een gemeubileerde kamer. Willem en ik zijn uit elkaar.”

Een vuistslag in mijn gezicht zou niet harder zijn aangekomen dan deze mededeling. Ik kende ze redelijk goed, Hella en Willem. Zij was korte tijd een collega van mij geweest en via haar had ik Willem leren kennen, een bekwame wetenschapper. De vriendschap, als je het al zo mocht noemen, was wat verwaterd geraakt, niet door wederzijdse afkeer, maar door de macht van de nonchalance die nooit helemaal te verklaren is.

Toch hadden we twee jaar geleden nog hun uitnodiging aanvaard om hun zilveren bruiloft mee te vieren. Zouden ze toen al geweten hebben dat hun huwelijk op springen stond? Was het een laatste wanhoopspoging geweest om te repareren wat niet meer te repareren viel?

„Wat vreselijk jammer”, zei ik uit de grond van mijn hart. „Is er niets meer aan te doen?”

Ze schudde krachtig haar hoofd, terwijl de tram alweer de volgende halte naderde. Ze hoefde toch nog niet uit te stappen? Gelukkig, ze maakte geen aanstalten. Ik betrapte mezelf erop dat ik inderdaad nieuwsgierig was naar hun huwelijkse lotgevallen. Compassie en sensatiezucht zijn geestesgesteldheden die elkaar niet hoeven uit te sluiten.

„Praten jullie helemaal niet meer?” vroeg ik.

„Nauwelijks. Het heeft toch geen zin. Ik heb veel geprobeerd, maar bij hem is het óp, zegt hij. Hij beweert dat hij zich al veel langer ongelukkig voelde. Eerlijk gezegd wil ik dat niet meer horen. Als je die dingen maar vaak genoeg herhaalt, maakt het alles kapot wat ooit mooi is geweest.”

Ik durfde niet te vragen of er ‘een ander’ was. Het is de vraag die in zulke situaties hele lippen heeft weggebrand, maar dat moeten we voor de sociale diplomatie overhebben. We zwegen en keken naar buiten, waar de Nieuwezijds Voorburgwal aan ons voorbijgleed.

„Weet je wat me nog het meest dwarszit?” zei ze opeens. „De onverschilligheid. De kille onverschilligheid. Je denkt 25 jaar van elkaar te houden en op een dag zegt de ander plotseling: moet je luisteren, ik ben verliefd, het is vervelend, maar het is niet anders. Ook al val je bijna flauw van de schrik, toch is je eerste reactie: we komen er wel uit, als we maar praten. Je beseft niet dat hij er allang uit is. Hij wil weg, al vindt hij het rot voor mij en de kinderen, want zo is hij ook wel weer.”

„Ben je erg bitter?”

„Dat is niet helemaal het woord. Ik ben diep teleurgesteld, dieper dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Ik had dit nooit verwacht van Willem. Het klinkt gek, maar ik heb nog steeds het gevoel dat het eigenlijk niet bij hem hoort.”

Ik wist wat ze bedoelde. Willem was een man met veel zitvlees, iemand die niet hield van onrust om zich heen. Nu bevond hij zich plotseling in het oog van een storm die hij zelf had ontketend. De wind had hem opgetild en daar zeilde hij dan, in de wolken, hoog boven deze tram, onzeker van zijn bestemming.