Ringo

Bij de Marokkaan in de Comeniusstraat zat een oud vrouwtje aan een tafeltje patat te eten. Ze had een boodschappentas op de vloer naast zich staan, en ze praatte voor zich uit. Luc keek naar haar terwijl hij op zijn broodje stond te wachten. De Marokkaan had merguez op z’n bakplaat liggen.

‘Het is allemaal zijn schuld’, zei het vrouwtje. Ze had een muts op en ze had mayonaise op haar onderlip. ‘Het is allemaal zijn schuld.’

Toen het broodje kwam, zei Luc dat hij er nog een blikje bier bij wilde. Hij betaalde en ging in zijn auto zitten. Hij trok het blikje open, nam een slok en zette het klem tussen zijn benen. Hij at zijn broodje en keek naar buiten. Het oude vrouwtje kwam de deur uit, en ze praatte nog. Luc hoorde haar niet, maar hij zag haar mond bewegen. Ze keek eerst naar links en toen naar rechts, en gebogen liep ze richting de Johan Huizingalaan, haar boodschappentas in haar linkerhand. Haar rechterhand gebaarde.

Luc bleef nog een paar minuten zitten toen zijn broodje op was. Hij deed niets; hij zat alleen maar. ‘Ja’, zei hij toen. Hij startte zijn auto en reed naar huis.

Luc en zijn vrouw woonden achter de Pieter Calandlaan, in een flatje op driehoog. Hij was er met haar gaan wonen en ze hadden er niet veel aan gedaan omdat er iets groters aan zat te komen, maar dat groters was niet doorgegaan, en nu zaten ze nog met het behang en het laminaat van de vorige bewoners die er 300 euro voor hadden willen hebben. Luc had gezegd dat ze niks zouden geven. Denk je dat ze het er dan uit gaan slopen, had hij zijn vrouw gevraagd, denk je dat ze aan de slag gaan als je ze geen geld geeft? Hij had gezegd dat hij geen 300 euro ging betalen voor slecht gelegd laminaat.

Zijn vrouw was gaan zeuren toen de grotere flat niet doorging, kunnen we niks aan die vloer doen, op z’n minst? Luc had zijn vrouw beloofd dat-ie een andere baan zou vinden, iets beters, iets dat meer betaalde, maar ze wilden hem nergens hebben. Toen had hij een lening genomen, en net toen het geld binnenkwam, ging de tv kapot, dus die vloer moest weer wachten.

Zijn vrouw had een keer gezegd dat-ie misschien terug moest naar school, dat-ie dan een betere baan zou kunnen krijgen, en hij had gezegd dat dat een goed idee was, maar toen ze er te lang over doorging, had hij haar bij haar arm gepakt en geknepen tot ze op haar knieën zat en huilde.

Hij had geen zin meer in school en zij was er niet meer over begonnen.

Voor de deur bleef Luc weer een paar minuten in zijn auto zitten. ‘Ja’, zei hij weer, ‘jaja’, trok de sleutel uit het contact en stapte uit.

Hij liep de trappen op. Op éénhoog in de hal hing een poster van de Eiffeltoren, vergeeld en gescheurd en omgekruld bij de hoeken, en op tweehoog lagen een stuk of twintig kinderschoenen bij de deur van zijn onderburen. Hij bleef staan voor zijn eigen voordeur. Aan de muur, tussen zijn deur en die van de buren naast hem, hing een schilderijtje van een roeibootje in een haven. Hij luisterde, keek toen op zijn horloge en stak zijn sleutel in het slot. Ze was in de keuken.

‘Dag schat’, zei ze. Ze stond stil in de beweging die ze maakte.

‘Wie hoorde ik praten?’

Ze hield even haar adem in. ‘Niemand.’

Hij liep naar de woonkamer. De televisie stond aan, en het geluid stond hard. Hun dochtertje stond tegen de bank geleund, haar lippen oranje van de chips. Ze keek naar Luc, toen weer naar de televisie.

Hij liep terug naar de keuken. ‘Waar is mijn hond?’

Ze keek naar het fornuis. ‘In de badkamer...’

Hij knikte langzaam. ‘Wat had ik nou gezegd?’

Ze zei even niets, haalde adem, wilde iets zeggen, zei toch iets anders. ‘Ik ben bang voor die hond, Luc.’

‘Die hond doet je niets. Die hond is er om jou en Nicky te beschermen. Hoe denk je dat het is voor zo’n beest om opgesloten te zitten?’ Hij liep naar de badkamer en trok de deur open. Zijn hond kwam naar buiten, kwispelend en piepend. Hij sprong tegen Luc op. Het was een grote Amerikaanse terriër. Luc had ’m gekocht van een Antilliaanse jongen die ’m thuis niet meer mocht hebben van zijn moeder. Luc had tegen zijn vrienden gezegd dat het goed was dat die hond daar weg was, dat negers niet wisten hoe ze met honden om moesten gaan.

Zijn vrouw kwam de gang op. Ze bleef met haar armen langs haar lichaam naar de hond staan kijken. Ze zei zacht dat ze het gevaarlijk vond voor Nicky. Ze keek Luc niet aan toen ze het zei.

Luc hurkte bij de hond. Hij keek omhoog, keek haar aan en keek toen weg. ‘Hoe vaak hebben we het er nou over gehad?’, vroeg hij, zijn tanden op elkaar. ‘Die hond zal z’n leven geven voor Nicky. Z’n leven.’ Hij haalde adem en zuchtte diep. ‘Ringo’, zei hij met muziek in zijn stem tegen de hond, ‘ga Nicky kusje geven.’ De hond likte Luc over zijn gezicht.

Luc stond op en klikte het licht in de badkamer aan. Er lag urine op de tegelvloer. ‘Je hebt ’m niet uitgelaten ook, hè? Ruim jij het op?’ Hij knipte in zijn vingers. ‘Nu opruimen.’

Zijn vrouw liep terug de keuken in, gebogen.

Luc ging in de woonkamer op de bank zitten. Nicky keek naar hem met vier vingers in haar mond. Ringo legde zijn kop op Lucs schoot. Luc klopte op de bank, en zijn hond kroop naast hem, met zijn staart tussen zijn achterpoten. Luc pakte Nicky en trok haar op schoot. ‘Ga maar hondje kusje geven’, zei hij. Hij pakte de afstandsbediening, leunde achterover en drukte op de zes. Er was darts.

Walter van den Berg (1970) was ooit onder meer kunstenaar, vakkenvuller, fietskoerier en conciërge. In 2004 verscheen zijn eerste boek, De Hondenkoning, in 2007 werd West gepubliceerd. Sinds februari is hij fulltime schrijver.