Politiek in de kleedkamer

Belastingen omlaag! Dat schijnen enkele spelers van het Nederlands voetbalelftal premier Balkenende lachend te hebben toegeroepen toen hij vorige week in het Wankdorfstadion van Bern, na de overwinning op Frankrijk, in de kleedkamer opdook om te feliciteren. Die voetbalmiljonairs – door de bank genomen per jaar en per persoon goed voor minstens tien keer de zogenoemde Balkenendenorm – mogen er volgens een grappenmaker op de tv op rekenen dat de premier te zijner tijd met twee berichten zal terugkomen. Namelijk met het goede nieuws dat in het kabinet over die wens uit de kleedkamer is gesproken en daarna met het slechte nieuws dat besloten is om de veel verdienende spelers op belastingverhoging te trakteren. Gekheid natuurlijk, want tegen de hoogte van wiens inkomen ook maatschappelijke bezwaren mogen bestaan – niet tegen dat van topsporters. Daar heeft de collectieve adoratie de mogelijke afgunst allang compleet verdrongen.

Balkenende en zijn kabinet zullen dus wel uitkijken. Zeker in dagen als deze beseffen zij wat sport allemaal met hun volk, ja, met de stemming in hun land kan doen. Er zit aan het massale enthousiasme over die voetbalsuccessen wel een zeker risico. Zoals in 1988 gebleken is, toen nagenoeg heel het land oranje gekleurd raakte nadat Nederland in Hamburg eerst West-Duitsland (halve finale, eindelijk oma’s fiets terug) en daarna in München in de finale de Sovjet-Unie versloeg en Europees kampioen werd. Het risico namelijk van enige zelfmarginalisering in de ogen van het nieuwsgierige buitenland, dat zich bij het waarnemen van onze oranjekoorts wellicht afvraagt of voetbal het enige is dat ons in dit kleine land echt interesseert, respectievelijk het enige vakgebied waar we naar ons eigen oordeel echt goed presteren.

Voetbal is in Nederland al ruim honderd jaar een beminde sport. Zij het een sport waarin Nederland internationaal pas vijftien jaar na de betrekkelijk late opkomst, in 1953/54, van het betaalde voetbal ging meetellen. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig dus, aanvankelijk vooral dankzij de Europese verrichtingen van Feijenoord en Ajax, later ook door de prestaties van Oranje. Voorlopige climax, die ook een anticlimax was: de tweede plaats op het WK van 1974 in Duitsland, na een finale die na een zeer snel gegroeid nationaal enthousiasme door een alleszins stevig aantal ministers was bijgewoond. Premier Den Uyl ging even later hossend met de Oranjespelers door de tuin van het Catshuis. In elke huiskamer stond inmiddels een tv-toestel, de instrumentalisering van het voetbal door de politiek was tot op zekere hoogte begonnen, zij het later dan elders.

De Britse Labour-premier Harold Wilson bijvoorbeeld had na 1966 lang plezier van het wereldkampioenschap dat Engeland in dat jaar behaalde. En niet alleen in landen als Argentinië en Brazilië, maar ook in Zweden, Frankrijk en Italië konden regerende politici hun voordeel doen met de gunstige stemming onder een groot deel van het publiek na goede prestaties van het nationale team. Verser in het geheugen ligt de brede tevredenheid waarop kanselier Kohl kon leunen toen Duitsland in 1990 niet alleen zijn hereniging maar ook een wereldkampioenschap kon vieren. Een ander voorbeeld was twee jaar geleden het nationale ‘zomersprookje’ dat het Duitse elftal op de WK in eigen land door zijn ongedwongen, bijna on-Duitse spel liet ontstaan. De onder economische tegenwind klagerige Duitsers werden er in hun verkiezingsjaar een zomer lang vrolijk van.

De relatie tussen de betekenis van voetbal voor politiek en bestuur werd in Nederland in 1988 even moeizaam doordat trainer Rinus Michels en aanvoerder Ruud Gullit voor het team dat Europees kampioen werd als samenbindende externe vijand ‘de bobo’s’ hadden bedacht. Zeg, de voetbalbestuurders, politici en ander notabel volk dat, met de camera’s en microfoons in de buurt, graag in de prettige slipstream van de spelers opdook, liefst tot in de kleedkamer en hun hotel. Dat begrip ‘bobo’s’ had zó goed gewerkt dat de spelers na het EK eigenlijk geen zin hadden om gevolg te geven aan de uitnodiging van koningin en kabinet om hun titel op paleis Huis ten Bosch te komen vieren.

Een list, bedacht op premier Lubbers’ ministerie van Algemene Zaken, moet de zaak toen hebben gered: de dames van de spelers werden, anders dan eerst voorzien, óók uitgenodigd. Die dames wilden graag, de mannen volgden, een schandaaltje was voorkomen.

Tot slot een Duitse anekdote uit de jaren vijftig, toen de omgang van politiek en voetbal vaak nog heel afstandelijk was. De toenmalige bondspresident Theodor Heuss, een vormelijke oude heer die niets met sport, en zeker niets met voetbal had, voelde er weinig voor om het Duitse elftal dat in 1954 in Bern in het Wankdorfstadion verrassend wereldkampioen zou worden, te ontmoeten. Na veel vijven en zessen en druk van zijn adviseurs verklaarde hij zich tenslotte toch bereid om dat te doen. Daar stonden de spelers opgesteld voor een ontmoeting met hun president. Vooraan de kleine middenvelder Max Morlock van de FC Nürnberg. De argeloze Heuss wilde zijn goede wil tonen en sprak hem aan met de woorden: u bent zeker de keeper? Morlock zei niet: „die is veel langer dan ik en staat verderop in de rij.” Nee, hij sloeg de hakken tegen elkaar en sprak: „Jawohl, Herr Bundespresident, ich bin der Torwart”.

J.M. Bik is medewerker van NRC handelsblad.

Reageren kan op nrc.nl/bik

    • J.M. Bik