Oneven dagen bij café De Zwart, even bij Arti

A.F.Th. van der Heijden: Voetstampwijnen zijn tandknarswijnen. Querido, 138 blz. € 19,95

Op 19 juni 2003 overleed Jean-Paul Franssens op 65-jarige leeftijd aan leverkanker. Hij schreef romans, verhalen, gedichten, columns, operalibretti. Hij zong, tekende en schilderde. Hij was een veelzijdig man, kortom, die zich bijzonder levendig wist te presenteren. Zijn kroegvriend A.F.Th. van der Heijden, die vijf jaar na zijn dood een requiem aan hem wijdt, typeert hem als ‘een bebaarde diva’ met twee gezichten. Aan de ene kant was er de ‘exuberante verteller’, met onafscheidelijke rode das, wilde haardos en stentorstem, aan de andere kant de ‘ingetogen’ en gedisciplineerde schrijver.

Zijn werk viel bij critici overwegend in de smaak. Maar niet bij het lezerspubliek. Dat had er, zo zag ik het geformuleerd in een naslagwerk, ‘hooguit een behoedzame interesse’ voor. Verkoopsuccessen bleven uit, zoals ook de literaire prijzen aan zijn neus voorbijgingen, tot zijn uitgesproken misnoegen.

Van der Heijden beloofde bij de begrafenis de weduwe er ‘alles’ aan te zullen doen om het werk van Franssens ‘levend’ te houden. Hij hield zijn woord en nu is er dus Voetstampwijnen zijn tandknarswijnen – een lastig uit te spreken titel (die trouwens in 1998 ook al werd gebruikt voor een brievenboek van beide schrijvers). In dit gedenkschrift zien we vooral de méns, of laten we zeggen de exuberante artiest Franssens oprijzen, in al zijn hevigheid. De ingetogen schrijver blijft onderbelicht, de cafébezoeker niet. ‘Jean-Paul en ik troffen elkaar op de even werkdagen bij Arti, op de oneven bij De Zwart, en ’s zondags nog eens bij Welling’.

De vriendschap tussen de twee vakbroeders kwam aanvankelijk maar van één kant. Franssens moest wekenlang ‘actief het hof’ worden gemaakt, ‘in platonische zin dan’, voordat hij zich gewonnen gaf en de heren in gesprek raakten en samen aan de pimpel konden. ‘Drinken was voor hem een sacrale bezigheid’, schrijft Van der Heijden vol ontzag, ‘het opsnuiven van zwaveldampen om orakels over de hoofden van het cafévolk uit te spreken, een manier om via een verhoogde koorts van vriendschap te verdampen en zo een te worden met de wereld.’ Dit klinkt ook al bijna als orakeltaal, ongetwijfeld in de geest van de betreurde dode.

Enig ongemak bracht het vele drinken wel met zich mee, nog afgezien van de leverkwaal waaraan Franssens zou bezwijken: een al te nadrukkelijk beleden kunstenaarschap, ongecontroleerde driftbuien, vernielzucht en een hoop geruzie. Hoe diepgaand de vriendschap tussen de twee schrijvers nu eigenlijk was, valt niet goed uit dit requiem op te maken. Het bestaat uit losse, bij vlagen geestige episodes. Het vormt geen doorlopend verhaal. De laatste maanden voor Franssens dood zagen ze elkaar in elk geval niet. Van der Heijden was elders doende met de voltooiing van De Movo Tapes. De schok was groot toen Franssens, één dag voor de presentatie van het nieuwe boek, de geest gaf. ‘Jean-Paul was niet eenzaam gestorven, maar wel zonder mij’, staat er dan. Het klinkt schuldbewust, maar toch ook een tikje verongelijkt.

Slaagt Van der Heijden in zijn missie om Franssens werk weer tot leven te wekken? De tijd zal het leren. Vooralsnog moet de geïnteresseerde lezer zich tevreden stellen met de drie titels die nog leverbaar zijn: De wisselwachter, zijn eerste novelle, en Zuiderkerkhof 1 en De wereld wil bedrogen worden, twee bundels met autobiografische bespiegelingen. Daarin kunnen we lezen over de troosteloze sinterklaasavonden van weleer, over de ellende om te vroeg voor bejaard te worden aangezien en over lompe Nederlanders die de kunst van het begraven niet verstaan. Na zijn eigen begrafenis belandde zijn naam niet op de lijst met bekende Nederlanders die op Zorgvlied begraven liggen. Sinds kort is dat veranderd, zo lezen we in het requiem van zijn vriend Van der Heijden. Die heeft er persoonlijk voor gezorgd dat zijn naam alsnog op die lijst terecht is gekomen.

    • Janet Luis