Mijn personages mogen niet lijden

Holden Caulfield, held in J.D. Salingers beroemdste boek, was een rolmodel voor generaties van onbegrepen zielen. Kunnen we hem echt leren kennen?

J.D. Salinger: De vanger in het graan. Vert. door J. Hos. De Bezige Bij, 288 blz. € 18,90

Het grootste misverstand over De vanger in het graan is dat het boek over een jongen van zestien zou gaan. Holden Caulfield, de verteller, zégt wel dat hij zestien is, maar hij is minstens drieëntwintig. Hij is geen puber, maar een adolescent, die het allemaal al heeft gezien. ‘Ik kwam er behoorlijk vaak, maar nu niet meer. Ik ben er geleidelijk mee gestopt,’ zegt hij over de nachtclub van het Seton Hotel, alsof hij al een hele carrière in het New Yorkse nachtleven achter de rug heeft. Zijn gesprekken met medeleerlingen doen eerder denken aan conversaties van studenten dan aan gedachtewisselingen tussen zestienjarigen. Hoewel hij nog maagd is maakt hij opmerkingen over seks en vrouwen die jarenlange ervaring doen vermoeden.

Wie een echte puber wil tegenkomen, kan beter De weg naar Los Angeles van John Fante lezen, het eerste deel van de Arturo Bandini-cyclus. Daarin is Bandini een jaar of 17, maar dan ook écht, met alle twijfels, grootheidswaanzin en masturbatiesessies die daarbij horen. Bandini is een persoonlijkheid die zich nog volop aan het vormen is, terwijl Holden Caulfield al helemaal is uitgehard. Vooral als hij zich overgeeft aan film- en toneelkritiek maakt Holden een ouwelijke indruk. Misschien is hij wel 32, de leeftijd die Salinger had toen het boek uitkwam; je krijgt als lezer al gauw het idee dat Holdens meningen samenvallen met die van Salinger zelf.

Bij herlezing van zijn oeuvre valt op hoe obsessief Salinger van zijn personages houdt. Hij lijkt ze geen slechte eigenschappen te kunnen geven en wil ze voor al het kwade behoeden – in het boek, maar ook daarbuiten. Waarschijnlijk is dat de reden dat hij op een gegeven moment is opgehouden met publiceren: hij wilde zijn personages niet langer aan de buitenwereld blootstellen. Dat zou ontroerend kunnen zijn, als Salinger niet zo veel van zichzelf in die personages had gelegd. Nu beschermt hij uiteindelijk zichzelf.

Goedbeschouwd is de novelle Seymour – een introductie Salingers meest geslaagde werk, omdat hij hierin de logische conclusie uit zijn houding trekt. Hij laat het verhaal vertellen door een schrijver die de lezer duidelijk wil maken hoe geniaal zijn inmiddels overleden broer Seymour is. De schrijver die idolaat is van zijn personage is hier zelf tot personage geworden, een perfecte oplossing, die je natuurlijk maar éénmaal kunt toepassen.

Misschien is het die grote liefde voor zijn personages die ervoor zorgt dat Salinger in zijn universum zo weinig plaats inruimt voor echte tragiek en hopeloosheid. Daardoor blijft zijn werk iets zelfgenoegzaams en ongevaarlijks houden. Zijn personages proberen hun oprechtheid te bewaren in een onrechtvaardige en onverschillige wereld – en ja, die wereld kennen we wel, die begint aan de andere kant van de voordeur. Omdat voor Salinger zijn personages heilig zijn, bespaart hij hen de meer pijnlijke vormen van zelfreflectie; het idee dat de onrechtvaardigheid wel eens aan beide zijden van de voordeur zou kunnen heersen, is zijn personages dan ook vreemd. Zo kunnen we ons met hen identificeren zonder dat het ons iets kost, vooral als het gaat om Holden Caulfield, met zijn afkeer van phonies (‘schijnheilige zakken’, in de vertaling van Johan Hos), want de phonies, dat zijn de anderen.

Misschien juist omdat Salinger hem stiekem wat ouder maakte, heeft Holden Caulfield kunnen uitgroeien tot een rolmodel voor verscheidene generaties gevoelige en onbegrepen zielen (met andere woorden: voor ons allemaal). Maar laten we niet vergeten dat hij in wezen een tragische jongen is die zijn verhaal doet vanuit een kliniek waarin hij na afloop van de vertelde gebeurtenissen is opgenomen. Waarom hij daar precies zit en hoe hij zich er voelt kom je niet te weten. Het is net of er een laag in het boek aanwezig is waaraan ook Salinger zich niet waagt. Neem het droombeeld van Holden waaraan De vanger in het graan zijn titel dankt. Als hij zijn zusje vertelt wat hij het liefste zou worden, ziet hij zichzelf aan de rand van een gigantisch graanveld staan, met achter hem een gapende afgrond. In het graanveld spelen duizenden kinderen, en Holden moet de kinderen tegenhouden die afdwalen en in de afgrond dreigen te vallen.

Je ziet het voor je, als een laatromantisch schilderij: een graanveld in het strijklicht van de namiddagzon, afgebeeld in vogelperspectief, zodat je de ontelbare kinderen die sporen door het graan trekken goed kunt zien; aan de onderrand van het doek staat Holden Caulfield, met achter hem, nog net zichtbaar, het begin van de afgrond. Maar in werkelijkheid is het niet te doen, natuurlijk. Duizenden kinderen, en hij kan ze niet eens zien, daarvoor zijn ze te klein, hij kan ze alleen maar horen, of is het de wind die door de halmen ritselt? Hij zweet zich kapot, hij raakt steeds vermoeider, op elk kind dat hij vangt, storten er twee, drie de afgrond in. Het is eerder iets uit de onderwereld van de oude Grieken of De hel van Dante dan een troostend, licht melancholisch stemmend visioen.

J.D. Salinger: De vanger in het graan. Vert. door J. Hos. De Bezige Bij, 288 blz. € 18,90

NRCBOEKEN.NL/LEESCLUB

Totdat de Leesclub in oktober met een nieuwe editie begint, staat, behalve in juli en augustus, op deze plek de ‘Leesclub Light’ over een recente heruitgave die aanleiding geeft tot debat. Na Ger Groots stuk over Walter Benjamins Het kunstwerk in een tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid van vorige week schreef Hans Oostrik in een lange reactie onder meer: „Beelden wordt hun cultuswaarde ontnomen ten faveure van hun tenstoonstellingswaarde. (...) Niets is meer v(h)eilig: voor je het weet sta je op YouTube. Het gevaar schuilt in het gebruikmaken van de techniek om te esthetiseren. (...) Door oorlog als een spel voor te stellen, door politiek in het praatprogramma als een gezelschapsspel van meningsuitwisseling uit te beelden, door haar virtueel te maken en van haar monsterlijke actualiteit te ontdoen.”

Franz Kaiser schreef: „Ger Groot schrijft dat Benjamin een kunst die geen bijzonder origineel meer had nog niet kon voorzien – een betreurenswaardig fout, omdat het essay juist daarover gaat. (...) In het foto- en filmtijdperk zou het kunstwerk zijn uniciteit en dus zijn aura verliezen en zou de kunst democratisch worden. Vandaag kunnen we weten dat Benjamin ernaast zat. Zonder de uniciteit van het kunstwerk zou geen kunstmarkt mogelijk zijn.”