Inflatie is terug van weggeweest

Geldontwaarding steekt wereldwijd de kop op. Is het probleem tijdelijk of structureel? Het heeft er alle schijn van dat de tijd voorbij is waarin de inflatie voorgoed getemd leek.

Inflatie stijgt weer NRC Handelsblad

Los is het nog niet, maar het monster rukt aan zijn ketenen. Nadat de hoge inflatie van de jaren zeventig in de loop van de jaren negentig definitief bedwongen leek, neemt de geldontwaarding vrijwel overal weer toe. Het Internationaal Monetair Fonds voorspelt een wereldwijde inflatie van 4,7 procent aan het eind van 2008, en dat is de hoogste waarde in tien jaar. Deze prognose lijkt alweer achterhaald. De landen van de eurozone kenden in mei een inflatie van 3,7 procent. Dat is het hoogst sinds begin jaren negentig. In de Verenigde Staten staat de teller op 4,2 procent, en ook dat is lang niet voorgekomen. Buiten de gevestigde industriële landen zijn de cijfers nog veel hoger. De Oost-Europese landen oververhitten, met een inflatie van 6,8 procent voor Tsjechië, en bijvoorbeeld 7 procent voor Hongarije. In het Midden-Oosten heeft Saoedi-Arabië een inflatie van 10,5 procent, in Latijns-Amerika kruipt het percentage naar gemiddeld 10 procent, en in Azië is de inflatie in landen als Singapore en Zuid-Korea verdubbeld ten opzichte van een jaar geleden. De cijfers voor de giganten India en China: respectievelijk 7,7 procent en 7,7 procent, en dat is 1 tot 1,5 procentpunt meer dan een jaar geleden.

De reden voor de oplopende inflatie lijkt simpel: de prijs van grondstoffen en voedingsmiddelen, van olie tot nikkel, en van graan tot rijst, is sterk opgelopen. Dat komt terug in de statistiek, maar zou er na verloop van tijd ook weer uit moeten verdwijnen als de stijging van deze prijzen achter de rug is. Zo eenvoudig is het niet. Voedingsmiddelen en grondstoffen kunnen doorsijpelen in de prijzen van andere producten en diensten. Als de koopkracht daardoor wordt uitgehold, zullen werknemers hogere lonen vragen om de stijging van de kosten van levensonderhoud te compenseren. Hogere loonkosten leiden op hun beurt tot hogere prijzen voor producten en diensten: een opwaartse spiraal is geboren.

Een dergelijke dreiging heeft zich wel vaker voorgedaan, maar is tot nu toe telkens door de centrale banken in de kiem gesmoord. Waarom zou het ditmaal anders zijn? Daar zijn verschillende denkbeelden over. Volgens hoofdeconoom Lex Hoogduin van Robeco is er meer aan de hand dan alleen een grondstoffenhausse. Volgens hem komt er definitief een einde aan de periode die door de Britse centrale bankier Mervyn King als „nice” werd bestempeld: een non-inflationary constant expansion van de economie. Hoogduin gaat zelf intussen uit van een ander concept dat de wereldeconomie in de toekomst zal kenmerken: VIE, dat staat voor volatile inflationary expansion. De wereldeconomie blijft groeien, maar zal een hogere inflatie kennen, die ook meer pieken en dalen heeft.

Hoogduin denkt dat de industrielanden zullen moeten gaan wennen aan „tussen de 3 procent en 4 procent inflatie in de eerstvolgende decennia”, in plaats van de ruim 2 procent die gewoon geworden was. De oorzaak volgens hem is dat zich over de gehele linie in de wereldeconomie een stijging van de vraag voordoet die niet door het aanbod wordt bijgehouden. Daarbij gaat het niet alleen om grondstoffen, maar om een baaierd aan goederen en diensten – van gezondheidszorg tot schoon water, en van voedsel tot arbeid in het algemeen.

Schaarste is één verklaring, maar er zijn er meer. Gabriël Stein van het Britse Lombard Street Research schaart zich achter het oude motto van de econoom Milton Friedman, dat „inflatie altijd en overal een monetair verschijnsel” is. Hij wijst erop dat de centrale banken wereldwijd een veel te grote toename van de groei van de geldhoeveelheid hebben toegestaan, ten opzichte van de groei van de reële economie. De overmaat aan geld die daardoor rondklotst in de wereldeconomie komt vroeg of laat terug als inflatie, en die valt slechts met moeite uit te roeien.

Welke oorzaak de inflatiestijging ook heeft, en welke remedie daar tegenover moet staan, eerst moet er een ander probleem worden opgelost: het betrouwbaar, en uniform meten van de inflatie zelf. China heeft formeel een inflatie van 7,7 procent, maar veel economen zijn daar zeer sceptisch over. Het werkelijke getal zou eerder rond de 16 procent liggen.

In Argentinië is er op dit moment maatschappelijke onrust over de officiële inflatiecijfers. De inflatie zou, in plaats van de gerapporteerde 9,1 procent, ruim boven de 20 procent liggen. En Bill Gross, de topman van Pimco, de grootste obligatiebelegger ter wereld, zei vorige week ook de Amerikaanse cijfers niet te vertrouwen: die zouden de werkelijke inflatie met rond een procentpunt onderschatten.

Brandstof- en voedselsubsidies houden bovendien in veel landen de prijzen kunstmatig laag, maar worden onhoudbaar als de kosten van de subsidies te ver oplopen. China maakte gisteren bekend de binnenlandse prijzen van brandstof met 18 procent te verhogen, en die van elektriciteit met 5 procent.

Zo bezien lijkt het een kwestie van tijd tot de prijsstijgingen werkelijk gaan doorklinken in de officiële cijfers. De wereldeconomie staat dit jaar nog een stroom van tegenvallende inflatiecijfers te wachten.