In wollen pak door de woestijn

De Napoleon-geschiedschrijving verandert. In plaats van de kleine keizer zelf staan zijn soldaten nu vaker centraal; die bezweken massaal op de slagvelden van Egypte tot Waterloo.

Napoleon en zijn staf in Egypte, schilderij uit 1863 van Jean Léon Gérôme Uit ‘Napoleon in Egypt’.

Paul Strathern: Napoleon in Egypt. The greatest Glory. Jonathan Cape, 480 blz. € 32,95. De vertaling verschijnt op 11 juli bij Mets & Schilt

Nina Burleigh: Mirage. Napoleon’s Scientists and the Unveiling of Egypt. 286 blz. € 22,95

‘Soldaten, vanaf de hoogten van deze piramides kijken veertig eeuwen geschiedenis op u neer’. Het was smoorheet toen Napoleon Bonaparte deze woorden in Egypte uitsprak, op 20 juli 1798, aan de vooravond van wat de Slag bij de Piramiden zou gaan heten. De zin is één van de uitspraken die alweer tweehonderd jaar Napoleons imago stutten. Maar ook hier zijn de woorden mooier dan de werkelijkheid. Het staat allerminst vast dat Napoleon dit werkelijk heeft gezegd, de piramiden lagen tien mijl verderop en het leger dat hij toesprak leed aan dorst, oogziekten en diarree. Dat neemt niet weg dat Napoleon de dag daarop de slag tegen Egyptenaren en mammelukken won, en dat dit hem sterkte in zijn geloof in de eigen onoverwinnelijkheid.

Egypte is een van de weinige gebieden uit Napoleons leven die we doorgaans niet met veldslagen associëren, met besnorde kurassiers, maar met de bedachtzame geleerden of savants in zijn gevolg; wiskundigen, tekenaars, botanici, zoölogen en archeologen die met meetlinten de sfinx beklauterden. Dat zat óók in het Egyptepakket, maar was maar een onderdeel van de hele expeditie, die duurde van mei 1798 tot eind 1799 en die nu gedetailleerd beschreven is door de Britse historicus en romanschrijver Paul Strathern.

Wat de 28-jarige Napoleon nou precies bezielde om over te steken naar Egypte, is nooit helder geworden en waarschijnlijk wist hij het zelf ook niet precies. In zijn meest optimistische visoenen zag hij dit avontuur als een veroveringstocht in het voetspoor van zijn held sinds zijn jongensjaren, Alexander de Grote. Ongetwijfeld heeft hem het megalomane visioen voor ogen gestaan om na de verovering van Egypte oostwaarts door te stoten en via Mesopotamië en Perzië India te bereiken, Gloire, daar zat zijn hoofd mee vol. Later zou hij schrijven dat hij zichzelf voorstelde op een olifant, een tulband op zijn hoofd en een moderne aangepaste koran in de hand. In zijn minder optimistische buien zal hij Egypte gezien hebben als Afrikaans bruggenhoofd in de strijd tegen de Britten.

Egypte viel formeel onder de Turkse sultan in Constantinopel, die weer een pasja als onderkoning benoemde. Maar in feite werd het land beheerd door mammelukken, uit de Kaukasus als slaaf geïmporteerde mannen die getraind werden tot een elitecorps te paard. Hier lag Napoleons rechtvaardiging van zijn inval: hij zou, zo verkondigde hij alom, Egypte bevrijden van de tirannieke mammelukken. En hij kwam de westerse beschaving, het licht van de rede en de zegeningen van de techniek brengen: een humanistische bezwering die nogal actueel aandoet.

De expeditie begon niet slecht. Napoleon landde bij Alexandrië en veroverde de stad. Van hier zweepte hij zijn troepen zuidwaarts op naar Kaïro. Na de Slag bij de Piramides en de inname van Kaïro vestigde hij hier zijn centrale gezag. Nu moesten de zegeningen van het westen voor de Noord-Afrikanen zichtbaar worden. Typerend zijn in dit verband de bestellingen die hij in Frankrijk plaatste. Naast wapens, munitie en reusachtige hoeveelheden eau de vie wenste hij komedianten, ballerina’s en marionettenspelers.

Een deel van zijn leger zond hij langs de Nijl naar het zuiden om de mammelukken te vernietigen. Onderweg werden tempels en graven bezocht, maar de ontberingen van de Fransen overschaduwden hun verbazing.

Ook in een andere richting koos Napoleon het offensief. Met een deel van zijn leger marcheerde hij naar het oosten en veroverde Palestina. Tot de vele wreedheden die de Fransen hierbij begingen behoorde de afslachting van 4.000 Turkse krijgsgevangenen bij Jaffa. Pas bij Akra kwam zijn opmars tot staan. Toen hier geen doorbraak mogelijk bleek, ging Napoleons Aziatische droom in rook op en besloot hij terug te trekken. De gewonden en zieken – velen leden aan de builenpest – waren een blok aan zijn been. Serieus heeft hij overwogen actieve euthanasie op hen toe te passen, maar uiteindelijk liet hij een deel gewoon achter om te creperen en zette hij een ander deel op een schip dat prompt in Britse handen viel. Zelf keerde hij terug naar Alexandrië en vandaar naar Kaïro. Hij was verslagen, maar dat weerhield hem er niet van zich daar met erepoorten en fanfares te laten inhalen.

Strathern heeft deze expeditie evenwichtig, soms iets te wijdlopig weergegeven. Zijn boek is een militaire en politieke geschiedenis geworden, met veel aandacht voor het leven van de gewone soldaat. Het lijkt daarin op 1812, het succesvolle boek van Adam Zamoyski over Napoleons tocht naar Rusland, al is dat beeldender geschreven. De parallellen in methode en onderwerp zijn opvallend. Ook Strathern verstaat de kunst om in kleine vignetten een portret te geven van de bijfiguren, van Napoleons officieren en van de geleerden die meetrokken. De militaire acties weet hij helder en niet te technisch te beschrijven. Hier geen sneeuw, maar zand, geen kou maar hitte en in plaats van kozakken, zijn het hier mammelukken op hun paarden met een een karabijn, enkele pistolen, een korte maar effectieve lans en ten slotte, om het karwei te klaren een scimitar een vlijmscherp sabel waarmee men met één houw een hoofd kon afhakken.

De overeenkomst gaat nog verder: ook in 1799 verliet Napoleon in het diepste geheim zijn troepen, zoals hij dat in Rusland zou doen. Toen hij hoorde hoe slecht het er in Frankrijk voorstond – Oostenrijk, Engeland en Rusland hadden een coalitie tegen Frankrijk gevormd –, keerde hij terug naar Frankrijk. Hij versloeg de Oostenrijkers en benoemde zichzelf tot consul.

In 1798 was het Franse Leger van de Oriënt verloren. In oktober 1801 verlieten de laatste Franse soldaten Egypte. Dat waren er 24.500. Ongeveer 10 tot 15.000 van hun wapenbroeders waren gesneuveld of door een ziekte aan hun eind gekomen. Het was een complete mislukking geworden, al zag Napoleon dat natuurlijk anders en wist hij het beeld van zijn Egyptische avontuur knap te manipuleren. Toen de werkelijkheid in Frankrijk zo’n beetje doordrong, was hij alweer op weg naar de volgende droom: het keizerschap over Frankrijk.

De verrichtingen van de savants vormen het thema van Mirage van de Amerikaanse schrijfster en journaliste Nina Burleigh. Napoleon had zo’n 150 geleerden meegenomen. Hun taak was de verbreiding van de Verlichting en de bestudering van Egypte op het gebied van natuurlijke historie, geschiedenis en economische mogelijkheden. Dat alles gebeurde met een speciaal opgericht instituut in Kaïro, met lezingen, discussies en een echt tijdschrift, La Décade. Burleigh beschrijft de expeditie naar Egypte op een onderhoudende wijze. Ze doet dat chronologisch, en neemt bij elke episode een van de disciplines tot thema. Als het Egyptische avontuur al een blijvende waarde heeft, dan ligt die in het werk van de savants, neergeslagen in het boek van de tekenaar Vivant Denon Voyage dans la basse et la haute Egypte (1802) dat een bestseller werd, en voor de kapitaalkrachtigen in de 22-delige Description d’Egypte (1809-1825), verluchtigd met vele kaarten en gravures. Voor sommige, inmiddels vernietigde tempels is deze serie de enige bron.

En dan is er nog de steen van Rosetta: door Fransen gevonden, door Engelsen geconfisqueerd en door een jonge Fransman gedecodeerd. Wie deze boeken heeft gelezen zal die steen in het British Museum voor altijd anders bekijken. Want onuitwisbaar beklijft het beeld van die in de woestijn verkommerende, half blinde, dorstige, Franse soldaten in hun wollen uniformen, voortgedreven door de megalomane, niets en niemand ontziende ambitie van hun generaal aan wie ze ondanks alles loyaal bleven.

    • Roelof van Gelder