In je eentje de rivier afzakken

In zijn eerste roman maakt Vincent Overeem (1974) de belofte van zijn verhalendebuut ‘Novembermeisjes’ waar.

Vincent Overeem Foto Yani Hazazah Hazazah, Yani

Vincent Overeem: Misfit. De Bezige Bij, 254 blz. € 17,90

De openingszin laat weinig te raden over: ‘Het was al weken over de dertig graden en we neukten niet meer.’ En op de bladzijden die volgen lijkt er geen misverstand te bestaan over het soort roman dat Misfit van Vincent Overeem is. We zien een bloedmooi meisje dat eindeloos rokend naar de televisie zit te kijken. Haar achttienjarige vriend, die met haar in een kamer woont, kan geen contact met haar krijgen, niet fysiek en niet mentaal. De conclusie is helder en al vaker beschreven: vriendelijke jongen is gevallen voor gepassioneerde schoonheid, maar de gepassioneerde schoonheid blijkt een duistere, labiele kant te hebben – dit zou weleens een gedoemde liefde kunnen zijn. Inderdaad slaat deze Kaat al snel de deur van de woning achter zich dicht.

Vincent Overeen (1974) debuteerde drie jaar geleden met de uitstekende verhalenbundel Novembermeisjes, waarin al veel van de thema’s te vinden waren die zijn vandaag verschenen romandebuut kleuren: jonge mannen die worstelen met hun verlangen naar meisjes, de relatie met een zorgwekkend broertje en een dubbelhartige verhouding tot groepen mensen.

Zo’n groep mensen beschrijft Overeem geweldig wanneer hij zijn verteller laat terugdenken aan zijn vrienden in het dorp waar hij opgroeide. Daarbij gaat het hem vooral om een boottocht die hij aan het begin van zijn eindexamenjaar maakte, in een Tommy Wieringa-achtige setting: eerst geknutsel, geschuur en geverf en dan varen. Roken, naaktzwemmen, donkere wolken, een regenbui.

Een echte jongensmiddag dus, zo vlak voor het einde van een gezamenlijk doorgebrachte jeugd – een middag om nooit meer te vergeten. Dat vinden de jongens zelf ook: ‘Ineens zei iemand dat we moesten zweren dat we dit soort dingen met elkaar bleven doen en ze werden allemaal een beetje stil. Ze waren het erover eens dat het heel speciaal was wat we deden, een tocht door de regen, en dat het hun vriendschap dus ook bijzonder maakte’.

Let wel, hun vriendschap, want de hoofdpersoon van Misfit past niet echt in de groep. Niet alleen omdat hij de nacht ervoor – als eerste – is ontmaagd, maar ook omdat hij anders in elkaar zit dan de dokters- en notariszoontjes bij hem in de boot. ‘Ik bedacht dat je dit eigenlijk het best alleen kon doen, in je eentje zo’n rivier af’, heeft hij juist daarvoor gedacht. De jongensromantiek van zijn vrienden doet hij af als ‘sentimentele crap’.

Op dat punt is je al duidelijk dat het zwaartepunt van de roman veel meer bij de verteller ligt dan bij zijn weerspannige meisje Kaat. Impliciet maakt Overeem dat duidelijk door de toon waarop hij zijn hoofdpersoon zijn verhaal laat vertellen. Die verraadt dat hier een intelligente jongen aan het woord is, maar is ook hard (‘neuken’ in de eerste zin is maar het begin) en bij vlagen agressief. In zijn eigen woorden: ‘Ze beweren dat ik intelligent ben. Iedereen zegt het altijd. Alleen, het is niet zo. Ik ben de domste lul die er ooit heeft rondgelopen. Ik zie dingen gewoon niet.’ Die harde ‘stem’ draagt de vertelling in Misfit en geeft de roman een aangename, wat cynische toon.

Die toon krijgt een tragische lading, als duidelijk wordt hoe weinig vreedzaam de coëxistentie tussen de ouders van de hoofdpersoon was. In dit veeartsengezin wordt nog maar weinig gesproken sinds Krijn, het broertje van de hoofdpersoon, is geboren. Deze nakomeling, in wezen te zacht voor de wereld, is een constante bron van zorg en toewijding voor de hoofdpersoon. Die heeft het gezin achter zich gelaten toen hij naar de stad trok, waar hij in tegenstelling tot al zijn vrienden niet is gaan studeren, maar is gaan werken. Met het ouderlijk huis heeft hij geen contact meer. ‘Ben je boos dat ik ervandoor ben gegaan?’ vraagt hij zijn broertje in gedachten. ‘Maar ik ben achttien en dan ga je het huis uit, dat is de natuur.’

Aldus het beeld dat de hoofdpersoon schetst, maar geleidelijk blijkt dat zijn perspectief verwrongen is. Met die stijlmiddelen en een hechte compositie neemt Overeem je steeds steviger in de houdgreep, tot je Misfit amper nog los kunt laten. Dat betekent overigens niet dat er helemaal niets op de roman aan te merken valt: Overeem schuwt het effectbejag niet en zet naderend onheil – of het nu op de hete zolderkamer is of in de jeugdherinneringen – soms erg stevig aan. Ook is de plot in het tweede deel van de roman wel erg uitgesponnen en is het einde niet het sterkste deel van Misfit. Dat slot is een beetje sentimenteel, maar – eerlijk is eerlijk – ik heb het ademloos gelezen.

Overeem heeft de halfvolwassen state of mind van het jonge koppel in zijn boek prachtig getekend. Het ene moment denken en handelen ze als volwassenen, het andere moment laat de schrijver ze in volle onschuld precies het verkeerde zeggen, zoals dat een achttienjarige nu eenmaal vaak overkomt. En de sfeer is knap getroffen, net als het portret van een bijfiguur als de goedhartige maar niet helemaal betrouwbare huisbaas/werkgever van de hoofdpersoon. Bovendien laat Overeem een aantal motieven (warmte, regen, water, dieren) subtiel en in steeds nieuwe gedaanten laat terugkeren.

De verhalen in Novembermeisjes waren veelbelovend in hun sfeertekeningen en beheerste plots, maar met Misfit (een titel die aan het eind van de roman naar veel méér dan een persoon blijkt te verwijzen) heeft Overeem de belofte van die debuutbundel méér dan ingelost.