Ik heb de nieuwe mens gezien

Schrijver Arnon Grunberg reist in Bagdad van checkpoint naar checkpoint. „Zonder de juiste badges ben je dood in de Groene Zone.”

Een piloot van een Amerikaanse Black Hawk op de helikopterluchthaven LZ Washington in Bagdads Groene Zone foto Reuters A crew member of a U.S. military Black Hawk helicopter wears a helmet painted with a skull at LZ Washington helipad in the fortified Green Zone in Baghdad May 26, 2008. REUTERS/Erik de Castro (IRAQ) REUTERS

Voor ik naar Irak ging had ik mij een voorstelling gemaakt van de Groene Zone in Bagdad. Ik meende een goed beveiligde en luxueuze enclave aan te zullen treffen waar westerlingen en geprivilegieerde Irakezen een decadent leven leidden. Ongeveer zoals het beschreven staat in het uitstekende boek van Rajiv Chandrasekaran, Imperial Life in the Emerald City, over de Zone na de val van Saddam.

Op een dinsdagochtend eind mei land ik op LZ (Landing Zone) Washington, de helikopterluchthaven van de Zone. Een dag later dan gepland, maar vanwege een zandstorm moesten alle helikopters aan de grond blijven. Hoewel het pas de tweede keer is dat ik in een Black Hawk vlieg, begin ik gewend te raken aan de Black Hawk als luchttaxi.

In het kleine gebouwtje dat de terminal van LZ Washington is doe ik mijn scherfvest uit en helm af. Dit is Bagdad. Laat de decadentie beginnen. Walter Benjamin mag geschreven hebben: „Es gibt keine Verfallszeiten.’’ Dat zullen we nog zien.

Aangezien ik een perskaart van het perscentrum in Bagdad nodig heb om mij vrijelijk in de Groene Zone te kunnen bewegen, moet ik eerst naar het perscentrum, CPIC (Combined Press Information Center). Maar als ik de terminal wil verlaten om een kijkje op straat te nemen, word ik teruggewezen naar de wachtruimte.

LZ Washington wordt beveiligd door werknemers van het beveiligingsbedrijf Triple Canopy. Triple Canopy heeft in Bagdad voornamelijk Peruanen in dienst. Naar verluidt werkten zij vroeger voor de ‘special forces’ van het Peruaanse leger, nu krijgen ze vijfenzeventig dollar voor een dagje beveiligen in Bagdad.

Nadat ze in hun eigen land Het Lichtend Pad eronder hebben gekregen, mogen ze nu Al-Qaeda in Mesopotamië bestrijden. De Amerikaanse militairen spreken met een mengeling van angst en minachting over de huurlingen. Een Amerikaanse militair zei: „Het zijn bastards.”

Ik ben in Bagdad, maar het lijkt klein-Peru.

Voor de tweede keer loop ik naar de werknemer van Triple Canopy. „Amigo”, zeg ik. „Prensa.”

Bijkomend nadeel van deze huurlingen is dat ze niet of nauwelijks Engels spreken. De huurling doet zijn rechteronderarm omhoog, zijn vuist gebald. Ik weet inmiddels wat dat betekent: stop.

De taal van het geweld is internationaal. Wie een kogel heeft, heeft geen poëzie meer nodig. De kogel is poëzie. Ik bel met het perscentrum en ik zeg: „Ik vrees dat jullie me hier moeten komen ophalen.”

Twintig minuten later verschijnt een Amerikaanse militair die me naar het perscentrum escorteert. Daar onderga ik een irisscan, er wordt een foto van me gemaakt en er worden vingerafdrukken genomen.

Een vrouwelijke militair neemt mijn vingers een voor een in haar hand en rolt ze over een apparaat. Het rollen van mijn vingers lijkt het meest erotische wat ik in mijn leven heb meegemaakt.

Een half uur later ontvang ik de perskaart van de Groene Zone. Daarna bekommert niemand zich meer om mij. Ik ben vrij.

In de Groene Zone bevindt zich één hotel, het Ar-Rashid hotel. (Het wordt ook Al-Rashid genoemd, de correcte spelling is Ar-Rashid.) Na de Eerste Golfoorlog was in de lobby van het hotel een mozaïek gelegd met een beeltenis van de voormalige president Bush. Daaronder stond in Engels: „Bush is criminal.”

Maar ik wil ook de Rode Zone in en daarvoor heb ik beveiliging nodig. De stad is in vergelijking met 2006 gekalmeerd, maar de westerling is nog altijd geld waard. En de woorden van een collega van The Independent die ik in Afghanistan ontmoette, heb ik in mijn oren geknoopt: „Sterven is niet erg. Maar gekidnapt worden, daar zie ik tegenop.”

Er zijn talloze bedrijven die beveiliging aanbieden in Bagdad. Uiteindelijk kies ik voor Edinburgh International. Ze lijken van wanten te weten. Bovendien verhuurt Edinburgh International ook kamers.

Zelfs met perskaart wordt het mij afgeraden zelfstandig naar het pension af te reizen. Alex van Edinburgh International zal mij afhalen. Alex blijkt een huurling uit Fiji die al een jaar of vier in Bagdad verblijft en in een oude Mercedes rondrijdt.

Wat ik van de Groene Zone zie, valt tegen. Stoffig, verwaarloosd en onherbergzaam. De buurt van de Groene Zone genaamd Klein-Venetië, waar enkele hoge Irakese politici wonen, is zonder connecties ontoegankelijk. Bovendien blijkt dat er niet één Groene Zone is, er zijn meerdere zones van elkaar gescheiden door checkpoints die worden bemand door de Peruanen van Triple Canopy.

In de Groene Zone heb je verschillende pasjes, ook genaamd badges, met verschillende kleuren. Hoe meer badges, hoe sneller je door de checkpoints heen komt.

De perskaart stelt mij op het niveau van een Irakees die net in de Zone mag komen.

Alex is eveneens een huurling zonder privileges.

We wachten een half uur, dan zijn we aan de beurt, tegelijkertijd met een stuk of twintig andere automobilisten. Alle deuren van de auto moeten open, net als de motorkap en de achterklep. De inzittenden van de auto dienen achter een muurtje te gaan staan, zodat ze niet kunnen zien wat er met hun auto gebeurt terwijl zij gefouilleerd worden.

De mobiele telefoon en het wapen leg je in een plastic bakje.

Op borden staat te lezen : „Deadly force authorized.”

Iemand, ik vermoed een van de Peruanen, heeft een muurschildering gemaakt. Een berg met daaronder in het Spaans de tekst: „God vergeef ons onze zonden.”

Ik ben de enige westerling te midden van een stuk of veertig Irakezen. Sommige Irakezen kijken nieuwsgierig naar mij. Na twintig minuten wordt het sein gegeven dat we verder mogen.

Een checkpoint, of het nu in Irak is of op Schiphol, is er voor onze veiligheid. Wie een paar keer bij een checkpoint in Bagdad heeft gestaan, krijgt het gevoel dat het checkpoint hét doel is. We leven om er doorheen te mogen, maar wat op het checkpoint volgt, is meer checkpoint.

Het pension van Edinburgh International bevindt zich in een zanderig achterafstraatje en blijkt tevens hoofdkwartier van Edinburgh International in Irak te zijn.

Adam, zijn functie luidt Operations Officer, heet me welkom. De mensen die in het pension verblijven zijn allemaal huurlingen.

Een Amerikaanse diplomaat zal me vertellen dat de meeste beveiligingsbedrijven met huurlingen uit een bepaald land werken. Blackwater met Amerikanen, Triple Canopy voornamelijk met Peruanen, Edinburgh International voornamelijk met Zuid-Afrikanen. Vroeger zaten ze bij de ‘special forces’ van het Zuid-Afrikaanse leger. Nu beveiligen ze mij in Bagdad.

Er bestaat een gids voor toeristen in de Groene Zone, geschreven door de Amerikaanse diplomaat Richard H. Houghton III. Op de eerste editie van de gids stond nog: ‘Written by tourists for the tourist.’ Die ondertitel is er inmiddels af. Richard H. Houghton is bereid mij ontmoeten, mits ik niet over Amerikaanse politiek wil praten.

Restaurants zijn er nauwelijks in de Groene Zone. In het boek van Chandrasekaran is nog sprake van talloze Chinese restaurants; allemaal verdwenen. Maar naast Freedom Cafe and Supermarket, volgens Houghton tegenwoordig zo ongeveer het enige restaurant in de Zone, is sinds enkele dagen Freedom Chinese Food geopend. (Later zal ik een ander gedeelte van de Zone het restaurant Arabian Nights ontdekken, vooral de souvenirs die ze er verkopen maakt een bezoek aan Arabian Nights de moeite waard.)

Je moet over een bruggetje om Freedom Chinese Food in te komen. Het bruggetje dient geen ander doel dan versiering en is zo glad dat je je goed aan de leuning moet vasthouden.

De Chinese meisjes, vers geïmporteerd uit China, lijken op travestieten, maar wekken ook de indruk prostituees te zijn.

Richard Houghton is een lange Amerikaan in een korte broek met een grote tatoeage. Hij spreekt Engels, Duits, Frans, Chinees, Japans en Arabisch.

„Hoe zit het met de Bagdad Country Club?” vraag ik.

De Bagdad Country Club was de nachtclub van de Groene Zone.

Hij lacht. „Die is gesloten”, zegt hij. „Een van de jongens die de Bagdad Country Club opende, begon een drankwinkel en daarna een restaurant. Maar toen moest hij de zaak sluiten, want de mensen die voor hem werkten hadden niet de juiste badges.”

Zonder de juiste badges ben je dood in de Groene Zone.

„Weet je”, zegt Houghton, „de tijden dat het hier het Wilde Westen was, zijn een beetje voorbij. The party is over.”

Freedom Chinese Food is post-decadent. Wie bier wil, moet ‘pie-joe’ zeggen, Chinees voor bier, en krijgt dan bier in een koffiemok. Hoewel officieel in Irak drank mag worden geschonken, anders dan bijvoorbeeld in Koeweit, is het zelfs in de Groene Zone een precair thema.

„Wat is er nog te doen in de Zone?” vraag ik.

„Hier vlakbij”, zegt Houghton, „is een Duitser een donutwinkel begonnen”.

„En die Chinese dames die hier werken, zijn dat prostituees?”

„Ik heb zo’n vermoeden”, zegt Houghton. „Aan hun Chinees te horen komen ze niet uit Peking.”

„Hoe komen ze in Bagdad?” vraag ik.

„Tsja”, zegt Houghton. En na een pauze. „Hoe kom jij hier? Hoe kom ik hier?”

Schuin tegenover Freedom Chinese Food, bevindt zich café Dojo, het donutrestaurant. Een hutje, meer is Dojo niet.

Er zitten drie mannen op de veranda.

Een wachter wil me tegenhouden. „Wat kom je doen?” vraagt hij.

„Ik kom een donut eten”, zeg ik.

Een Aziatische jongeman brengt mijn donut op een plastic bordje. Met de donut komen de vliegen en zodra het begint te waaien wordt alles bedekt met fijn zand.

De blanke mannen naast me hebben enorme buiken. In Bagdad hoeft niemand zich te schamen.

Elk tijdperk heeft een andere anus nodig. Bagdad is de anus voor onze tijd.

In het Ar-Rashid hotel heb ik afgesproken met een hogere medewerker van het Iraakse ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij wil met me praten, zolang zijn naam niet wordt genoemd. Hij is van Koerdische afkomst, maar hij staat sceptisch tegenover de Koerdische zaak. Hij is, schat ik, ongeveer mijn leeftijd. Tijdens de oorlog tussen Irak en Iran in de jaren tachtig hebben Koerdische guerrillastrijders, de Peshmerga, die met Iran meevochten, zijn vader vermoord.

„Op de markt mogen van de fundamentalisten komkommers niet meer naast tomaten liggen”, zegt hij, terwijl we komkommersalade van het buffet scheppen. „Daaraan kun je zien dat de fundamentalisten over hun hoogtepunt heen zijn.”

Het is vrijdag, 12 uur ’s middags, we zijn de enige gasten in het restaurant.

„We betalen een hoge prijs voor vrijheid en democratie”, zegt hij. „We betalen er met bloed voor.”

We drinken vruchtensap.

„Maar”, zegt hij, „volgend jaar wordt alles beter, want dan lopen de vijf jaar af”.

„De vijf jaar?”

„De vijf jaar dat je een hoge positie kon bekleden in de Irakese overheid én de dubbele nationaliteit mocht hebben. Dat mag na vijf jaar niet meer. Dan moet je kiezen. En dan kun je niet meer zeggen, wat maakt het uit, ik heb Syrië nog altijd achter de hand.”

„Zou dat zoveel verschil maken?” vraag ik.

De man tegenover me knikt vol overtuiging.

„Het lijkt ook rustiger te zijn geworden”, zeg ik.

„Ja maar dat komt door het geld. Eerst kwam Al-Qaeda aan de deur en die zeiden: hier heb je tweehonderd dollar als je een bom plaatst. Vervolgens kwamen de Amerikanen en die zeiden: hier heb je driehonderd dollar en het enige wat je hoeft te doen, is die bom niet te plaatsen. Dat werkt. De familie van een zelfmoordterrorist kon honderdduizend dollar opstrijken. En weet je waar dat geld vandaan kwam? Uit Saoedi-Arabië. Eigenlijk heeft zich hier een oorlog tussen Iran en Saoedi-Arabië afgespeeld. En ik ben er niet van overtuigd dat het niet zo gepland is.”

„Hoe bedoel je?” vraag ik.

„De Amerikanen hebben eens tegen me gezegd: de laatste keus is de beste keus. Als alles goed was gegaan, hadden ze nu geen reden gehad hier nog te zijn met 150.000 soldaten.”

„En Iran?” informeer ik. „Komt er een oorlog tegen Iran?”

„Ik hoop het”, zegt hij. „Iran is de bron van alle ellende. De Perzen hebben de Arabieren altijd gehaat. Maar die oorlog komt er niet nu. Over vijftien jaar, over twintig jaar.”

Als dessert nemen we fruit.

„De imams”, zegt hij, „zeiden: God wil dat je tegen de Amerikanen vecht. Maar God wil niet dat je tegen de Amerikanen vecht. Als je tegen de Amerikanen vecht, verlies je namelijk, en God wil niet dat je verliest. De Amerikanen hebben militaire basissen in Duitsland, op de Balkan, in Koeweit, in Katar, waarom niet hier? Met hun hulp kan Irak het centrum van het Midden-Oosten worden, wij zijn rijker en beter ontwikkeld dan Egypte.”

Hij brengt me naar buiten en wacht in de brandende zon tot Alex is verschenen om me op te halen en terug te brengen naar het pension dat eigenlijk een soort gevangenis is.

„Wat Irak nu nodig heeft”, zegt hij nog voor ik instap, „is een tussenpaus, een milde dictator, een beetje zoals ze in Dubai hebben. Verkiezingen zijn niet het begin van het democratiseringsproces, maar het einde ervan. Ik heb niet gestemd. Ik wist dat de politici niet deugden.”

De laatste dag van mijn verblijf ga ik eindelijk naar de Rode Zone. Met drie auto’s. Maar onopvallend. Een oud busje rijdt voor me, je zou niet denken dat er zwaargewapende mannen in zitten, en achter me rijdt nog een oude jeep met meer zwaargewapende mannen.

Naast de chauffeur ligt onder een keffiyeh, de doek die sommige Arabische mannen op hun hoofd dragen, een machinegeweer.

Een dagje Rode Zone met beveiliging kost zevenduizend dollar. Journalisten van de Washington Post en The New York Times opereren in Bagdad, laat ik me vertellen, ook met omvangrijke beveiliging.

Mijn perskaart mag weinig waard zijn, als je zevenduizend dollar voor beveiliging betaalt glijd je door alle checkpoints heen.

De Rode Zone lijkt, althans in dit gebied, de weg richting het vliegveld, een aaneenschakeling van checkpoints met om de twintig meter eenheden van het Irakese leger.

Doel van de reis is het Al Hamra Hotel waar ik twee Irakezen zal ontmoeten die kennissen zijn van een bevriende journalist die regelmatig in Bagdad verblijft. Het Al Hamra hotel waar veel journalisten verblijven lijkt een vesting. Maar eenmaal binnen is er een zwembad.

Luay is een vriendelijke, ietwat gezette Irakees die voor een journalist van USA Today in Bagdad werkt. Hij vertelt me: „Elke dag neemt mijn vertrouwen in mijn religie af.”

Na een uur voegt Ammar zich bij ons. Ammar had een hotel, maar daar komt nu niemand meer.

„De dagen van Al-Sadr zijn geteld”, zegt Ammar. Al-Sadr is onder anderen leider van de Madhi-militie. „De mensen in Irak hebben genoeg van religieus fundamentalisme.”

Luay zegt: „Wij Irakezen willen maar één ding: leven.”

Zowel Luay als Ammar is van shi’itische afkomst.

Ammar wil me meenemen naar een nabijgelegen restaurant. Maar mijn Zuid-Afrikaanse beveiliger zegt: „Geen denken aan.”

In de auto naast het machinegeweer onder de keffiyeh herinner ik me de woorden van een wijnrecensent van de Financial Times: „Ik heb de toekomst gezien. Zij is chardonnay en sauvignon blanc.”

Ik heb de nieuwe mens gezien. Hij is huurling.

Anders dan Machiavelli meende, kunnen huurlingen effectief zijn. Ze weten maar één ding: dat het beter is om te doden dan om gedood te worden.

Wie het verhaal van de nieuwe mens wil optekenen zou embedded moet gaan bij de huurlingen.

Of beter nog: zelf huurling worden.