Gezeur is een gebrek aan verbeelding

Waarde Gerrit,

Je laatste brief heeft iets cryptisch in zich; ik kan de gelaatsuitdrukking ervan niet goed peilen. Ik leef niet in de veronderstelling dat er door jou of mij buitensporig geklaagd wordt, laat staan gezeurd, hetgeen een misdaad zou zijn, want gezeur is een gebrek aan verbeelding, zoals jij in Demonen schreef.

Van een brief was de virtuele griffel in alsembitter gedoopt en de andere gedeeltelijk in wanhoop gemarineerd. En mijn hartenkreet geldt slechts één zaak en dat is de wassende tirannie van geloofsmoraal: dit is het fenomeen dat mij monsters en zorgen baart. Ik huldig de anarchie van geest en hart en houd argusogen op de Procrustes van het vrije leven en zelfbeschikking, zonder dat dit overigens mijn geschikte inborst bezoedelt. Ik ben in essentie een goedgeluimd mens.

Maar goed, Gerrit, om te voorkomen dat deze briefwisseling zal overkomen alsof zij enkel leeft op een dieet van kwintappels en zich slechts laaft met bokalen gal, laat ons dan vrolijk zijn. Buiten ons om leest behalve een miljoenen krantenpubliek nu ook Justitie mee, sinds het internetverkeer wordt gecontroleerd (en dat Freule Justitie mee kan lezen komt natuurlijk omdat zij haar blinddoek allang heeft afgelegd – koest, Hafid, koest).

Er is reden tot vreugde, want ik lees dat jouw bloemlezing van de Nederlandse kinderpoëzie in duizend en een gedichten genomineerd is voor de Gouden Griffel – kijk dat is eens een griffel vervaardigd uit de steen der wijzen.

Ik feliciteer je met je nominatie en nu maar hopen dat je de prijs wint: misschien een compensatie voor je kinderloosheid. Of zie je je boeken als papieren nageslacht? Of zijn ze eerder grafzerken van voorbije gedachten, voorbije zinnen? – Schijndood, want de voodoo van lezersogen wekt ze subiet weer tot leven –.

Enige brieven geleden heb je gebaad in ezelinnenmelk en een badmuts van mistletoe opgezet, daarna ging je veie margrieten plukken; welnu: starwaarts de wenkbrauwen, op die mondwinkels (jolijt in de aanbieding! stralende lach: twee halen een betalen; luchtmijlen naar Cocagne)! Straal met je tot alabaster verschoonde huid mee, je hoofd gekust door laagvliegend stuifmeel, langsscherende zefiers en zingende vliegen. Het bloed jubelt in de aderen.

Hier in Arkel , waar ik genoopt ben enige dagen door te brengen omdat mijn huis verbouwd wordt, dansen de pollen de horlepiep, het zwerk strooit glitters op het water, de bomen schudden de grauwe slaap uit hun lover en aan de dijk buigen de halmen de wandelaar toe, zo begerig zijn zij mee te wandelen. De bries is handtastelijk met zijn myriaden vingers, die lauwwarm zijn alsof ze na een tijd uit broekzakken zijn gehaald.

Dit verse boeket van malse zinnen en bonte beelden (de kluiten hangen nog aan de wortels) leg ik met een salaambuiging aan de dorpel van jouw aandacht en de willige lezer neer; pak het aan, snij de stelen schuin af, neem de grootste vaas die je hebt, giet deze met gewijde water vol, strooi er de roosvlokken van de Gratiën en ontdoe er uw boezem van deze krauwende last in; snuif de bloemen op en bewonder ze van een kleine afstand, daarbij het gelispel en babygestiek van de bladen beantwoordend met een niet aflatende glimlach, tot de nacht ons allen zal overvallen.

Veel liefs,

Hafid

    • Hafid Bouazza