Gespiest op de hoorns van hartstocht en rede

Ger Groot: De gelukkigste illusies. Over kwaad en verlossing. Sun, 406 blz. € 27,50

Ger Groot: De gelukkigste illusies. Over kwaad en verlossing. Sun, 406 blz. € 27,50

Lang geleden bezocht ik in de arena van Arles een stierengevecht. Ik kwam er misselijk vandaan. De cocktail van hitte, massaliteit, geweld en bloed was mij te veel geworden. Veel van mijn ervaringen herken ik nu in een tekst van de Duitse schrijver Kurt Tucholsky waarmee filosoof Ger Groot, medewerker van deze krant, in zijn boek De gelukkigste illusies een essay over het fenomeen van de corrida begint. Net als ik had Tucholsky ernstige bedenkingen bij het schouwspel. Uitvoerig beschrijft hij de wreedheid tegen de dieren en het enthousiasme van het publiek. Als die de arena uitstromen, barst hij los: ‘Daar komen de mensen opeengepakt uit het moordhuis….Barbarij.’ Maar dan, in de laatste zin, komt de wending: ‘Maar wanneer er morgen weer een is, ga ik er opnieuw naar toe.’

Deze paradox van afkeer en fascinatie, van walging en aantrekkingskracht, staat centraal in de erudiete beschouwing die Groot aan het stierengevecht wijdt. Moderniteit en traditie blijken in de arena niet alleen te botsen, maar zich ook met elkaar te vervlechten. Enerzijds gaat het om een huiveringwekkend schouwspel dat de moderne mens confronteert met de realiteit van de dood. Anderzijds is het stierengevecht al veel veranderd in de afgelopen eeuw. Er vloeit steeds minder bloed. Met zijn behendigheid toont de kwetsbare toreador nu ‘de overwinning [...] van de techniek op de kracht, van de rede op de onrede.’

Groots artikel gaf mij een nieuw, rijker inzicht in de corrida. Ik zou nu waarschijnlijk met totaal andere ogen naar een stierengevecht kijken. Zou ik net als Tucholsky teruggaan? Als ik dat al zou doen, is dat eerder te danken aan een ander essay in De gelukkigste illusies. In dagboekvorm beschrijft Groot hier zijn eigen korte opleiding tot toreador. Van binnenuit maak je zo de voorgeschreven rituelen en de spanningen mee die het gevecht omgeven. Wanneer Groot door de stier op de hoorns wordt genomen en beurs en blauw het strijdperk verlaat, besef je als lezer, meer dan door alle filosofische beschouwingen die volgen, waar het om draait in deze krachtmeting tussen brute wildheid en fragiele rede.

Het einde van het tweede essay geeft goed de teneur aan van veel stukken uit De gelukkigste illusies. Groot gebruikt hier het door de Franse filosoof Lyotard gemunte begrip ‘geschil’ om aan te geven dat er in de bijkans eeuwige discussies over de morele toelaatbaarheid van het stierengevecht geen oplossing verwacht mag worden. Terwijl een ‘verschil’ opgelost kan worden door de betere argumenten van mensen die dezelfde soort taal spreken, gaat het bij een geschil om wederzijdse posities die voor elkaar onvertaalbaar en onbestaanbaar zijn. Alle argumenten tegen het stierengevecht ketsen af op een werkelijkheid die de rationaliteit te buiten gaat.

Veel essays cirkelen rond de vraag waar die werkelijkheid precies uit bestaat. Hoe kun je vat krijgen op de afgrond van de menselijke geest, waarboven de altijd fragiele rede haar imponerende bouwwerken opricht? Dat het hierbij om de afgronden van het kwaad, het geweld en de eindigheid gaat, zal uit de beschrijving van het stierengevecht wel duidelijk zijn. Tegelijkertijd gaat het ook om het geluk waarvan in de titel sprake is. Ook hier betreft het in de extreme vorm een ervaring die ons van buiten overvalt, los van onze redelijke ideeën en inspanningen. Natuurlijk, daarnaast is er op de langere duur de mogelijkheid van het bestendige geluk van de rede. Maar hierachter schittert altijd de verboden vlam van het hartstochtelijke geluk dat, bijvoorbeeld in ontrouw en overspel, waaraan Groot een lang essay wijdt, blijft lokken.

Gaat het hier toch uiteindelijk niet om een ‘illusie’, zoals Groot in de titel suggereert? Het antwoord hierop is weer dubbel. Ja, de laaiende vlam van de wilde levensdrift verstilt onvermijdelijk tot een waakvlammetje. Neen, zonder illusies, zonder het onbeheersbare van de afgronden van kwaad, geweld en hartstocht, valt er volgens Groot niet goed te leven.

Vanuit deze spanning zijn de meeste essays geschreven. Ze zijn bijna allemaal eerder gepubliceerd, maar geen enkel stuk is uit NRC Handelsblad afkomstig. Wie ze achter elkaar leest, ziet niet alleen de gemeenschappelijke thematiek ervan, maar blijft zich ook verbazen over de eruditie en de gevarieerdheid die Groot biedt. Toch wordt de lezer waarschijnlijk het meest geraakt wanneer Groot ook zijn eigen gevoelens en ervaringen in het spel brengt, zoals in aangrijpende miniatuurtjes over zijn dochter. De angst voor verlies en verraad die hier naast het grote geluk dat de vader overvalt, voelbaar aanwezig zijn, geven de andere essays onverwacht en langs een omweg de persoonlijke toon die soms onder de vracht van eruditie lijkt te worden weggedrukt.

    • Hans Achterhuis