Een jubileum met een rouwrandje

Na vier eeuwen tegenover elkaar te hebben gestaan, vonden katholieken en protestanten elkaar in 1968 in de Raad van Kerken. Nu rest slechts de weemoed.

Het wordt morgenmiddag een oecumenisch feest in de Utrechtse Jacobikerk, met sprekers, muziek en een jubileumboek. Eregast is prinses Máxima, rooms-katholiek maar getrouwd met een protestantse man. De Raad van Kerken, waarin zeventien kerken samenwerken, viert zijn veertigjarig bestaan.

Maar het is een feest met een rouwrandje. Die veertig jaren hebben de kerken niet dichter bij elkaar gebracht. Integendeel, de eenheid is verder weg dan ooit. Vierden katholieken, orthodoxen en protestanten vroeger bij dergelijke gelegenheden de eenheid met een gezamenlijke ‘Maaltijd des Heren’, onder leiding van een bisschop en een dominee, zaterdag moet het bij een eenvoudige dienst van woord en gebed blijven.

Meer dan vier eeuwen hadden protestanten en katholieken tegenover elkaar gestaan, maar na de Tweede Wereldoorlog vonden zij elkaar. Overal was sprake van toenadering. Men herkende elkaar als gelovigen. In de jaren zestig werden in de universiteitssteden oecumenische studentengemeentes gevormd. De Raad van Kerken begon in 1968 op het hoogtepunt van de oecumene.

Maar veertig jaar later rest de weemoed, constateert de Remonstrantse Broederschap in een felicitatiebrief aan de raad. „Een brede beweging ‘van onderop’ kun je de oecumene in ons land moeilijk meer noemen. Kerken lijken meer met de eigen identiteit en het eigen overleven bezig te zijn.”

Het beeld van de oecumene is somber en dat is vooral aan Rome te wijten, vindt Marius van Leeuwen, kerkelijk hoogleraar van de Remonstrantse Broederschap en sinds kort vicevoorzitter van de Raad van Kerken. „Je merkte het na het huwelijk van prins Maurits met Marilène van den Broek, toen er opschudding ontstond over de deelname van [de Nederlands hervormde] prinses Juliana aan de [rooms-katholieke] communie. De sectie Geloofsvragen van de Raad van Kerken heeft jaren op dat probleem gestudeerd, maar haar bevindingen werden in de kortste keren door de aartsbisschop afgewezen. Rome verordonneert en dan heeft de kerk in Nederland geen speelruimte. Rond de intercommunie [gezamenlijke viering van het avondmaal/eucharistie, red.] zit de zaak momenteel op slot. Het is toch pijnlijk dat bij een begrafenismis een deel van de aanwezigen niet aan de eucharistieviering mag meedoen. Dezelfde opstelling vind je terug in de uitlatingen van Rome over de status van de protestantse kerken, die niet als echte kerken worden beschouwd. Maar zolang er nog Nederlandse katholieken zijn die er anders over denken, moeten we toch in gesprek blijven. Als er geen Raad van Kerken was, dan zouden we die moeten uitvinden.”

De moeizame relatie met de RKK stemt ook Bas Plaisier, de onlangs afgetreden scriba (secretaris) van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), droef: „De leerstelligheid staat weer centraal in de Rooms-Katholieke Kerk. Elke oecumenische samenwerking wordt erdoor gefrustreerd. Maar we zullen er doorheen moeten want we kunnen ons niet permitteren om niet samen te werken.”

De opstelling van de RKK heeft ook praktische consequenties voor de Raad van Kerken. Plaisier: „Wij wilden dat de RKK juist wat meer zou gaan betalen aan de Raad van Kerken en wij wat minder. Dat was in beginsel afgesproken, maar de RKK verlaagde – ook door acute financiële nood gedwongen – haar bijdrage in één klap van 105.000 naar 30.000 euro. De PKN betaalt 4,5 maal zoveel als de RKK. Wij vinden de Raad van Kerken van eminent belang, voor de RKK is dat niet meer het geval.”

Pater Eduard Kimman, hoogleraar bedrijfsethiek aan de Vrije Universiteit, bevestigt dat beeld. Als secretaris-generaal van het Rooms-Katholieke Kerkgenootschap (hij trad 1 juni terug) vertegenwoordigde hij de afgelopen zes jaar de Nederlandse bisschoppen bij de raad. „De Raad van Kerken paste bij de geest van de jaren zestig”, zegt hij. „Het wemelde toen van raden in Nederland, van universiteitsraden tot een Raad voor de Rechtspraak. Een raad is veilig, een institutie, met een bureaucratisch apparaat, notulen en een rondvraag. Maar de echte oecumene heeft zo’n raad niet nodig. Kijk naar wat er gebeurt op de Wereldjongerendagen, waar ook protestantse jongeren komen. Of naar de EO-jongerendagen, waar ook katholieke jongeren komen. Jongeren praten niet over oecumene, ze praktiseren het.”

Kimman vindt dat de RKK er veel beter dan de protestanten in slaagt de kerk wereldwijd weer op de rails te zetten. „Paus Johannes Paulus II heeft de kerk weer een gezicht gegeven. Hij is gaan reizen en toonde zich een mondiale figuur, met wie men zich kon identificeren. Hij zette de kerk weer op het spoor van de orthodoxie, terwijl bij de protestanten de vrijzinnigheid een steeds prominentere plek kreeg.”

Kimman heeft geen bezwaar tegen interkerkelijk contact, maar dat hoeft niet zo officieel: „Spiritualiteit kan ook tastbaar gemaakt worden door grote vieringen, waarbij de kerken om de beurt gastheer zijn. Daar heb je geen instituties zoals een Raad van Kerken voor nodig.”