Een blik op de hemel

Op papier zou Sonsbeek 10 moeten gaan over het menselijk streven naar grootsheid – ‘grandeur’ is dit jaar het thema van de beeldententoonstelling. Maar in de praktijk gingen de kunstenaars hun eigen weg en is er van het gedroomde idealisme weinig te merken.

‘Flying Green House’ van Tomas Saraceno foto Maurice Boyer Sonsbeek 2008: Flying Green House van Tomas Saraceno Foto NRC H'blad Maurice Boyer 080613 ballonnen Boyer, Maurice

Aan het begin van alles staat de droom. De ramen gaan wijd open, een nieuwe horizon wordt zichtbaar, gedachten tuimelen over elkaar heen: een visioen is geboren. Anna Tilroe (1946) is kunstcritica en af en toe tentoonstellingsmaker – twee bezigheden waarbij heel wat valt af te dromen en te fantaseren over hoe dingen beter, mooier, nog interessanter kunnen en zouden moeten kunnen.

Twee jaar geleden kwam voor Tilroe een grandioze droom binnen handbereik. Ze werd gevraagd om artistiek leider te worden van de prestigieuze, internationale beeldententoonstelling Sonsbeek in Arnhem. Met Sonsbeek, en met name met de huidige tiende, jubilerende editie die vorige week opende, kon Tilroe haar visitekaartje afgeven als serieuze, internationale tentoonstellingsmaker, iemand die zich op hetzelfde niveau beweegt als illustere Sonsbeek-voorgangers Wim Beeren of Jan Hoet.

Maar dromen hebben de nare neiging om gaandeweg de arbeid te verdampen of te veranderen in een wankel compromis. Slechts heel zelden worden dromen verwezenlijkt zoals we ze waarlijk verwezenlijkt zouden willen zien. En in het geval van Tilroe en Sonsbeek 10 is er van de droom van het begin niet meer overgebleven dan een handvol kruimels.

In het voorstel waarmee Tilroe in mei 2006 de gemeente Arnhem, provincie en rijk overhaalde om drie miljoen te investeren in Sonsbeek 10, in de betogen waarmee ze sponsors en steuncomités wierf, stond het gloedvol omschreven. Met Sonsbeek 10 zou ze een nieuwe stap zetten, een nieuwe richting aangeven in het denken en tonen van kunst – daarmee ongewild aansluitend bij het state-of-the-artconcept dat altijd aan Sonsbeek ten grondslag lag. Er zouden werken van dertig kunstenaars naar Arnhem komen. Er zou kunst te zien zijn die zich verhoudt tot de buitenwereld, die zich bekommert om het menselijke, die niet elitair is en alleen maar reflexief. De kunst op Sonsbeek zou het menselijk streven naar grootsheid verbeelden: grandeur op menselijke maat, met alle conflicten en teleurstellingen van dien. Ieder beeld zou een symbool van dit streven zijn. En al deze symbolen bij elkaar zouden tijdens processies, optochten of parades naar het publiek worden gebracht – niet één keer, maar meerdere keren. Daarom moesten de kunstwerken aan bepaalde afmetingen gebonden zijn. Ze moesten draagbaar zijn.

De parade had in Tilroes droom een nadrukkelijk symbolische betekenis. „De kunst heeft haar eigen wereld die zich ontplooit op een intieme plek in het park maar toont zich op gezette tijden ook in het volle licht van het hedendaagse stadsleven”, schreef ze in 2006 in een voorstel voor de gemeente Arnhem. „Dan trekken de kunstwerken het park uit en trekken in een statige, feestelijke optocht door de stad.” De artistiek directeur droomde van kunst die geparkeerd zou worden in park Sonsbeek, onder een plechtig baldakijn dat als een tent te sluiten was in geval van regen of na het invallen van de duisternis. Maar steeds opnieuw zouden Arnhemmers naar het park komen, de kunst op draagbaren hijsen en die door de stad tillen. De kunst zou letterlijk als koningin de straat op gaan en zich mengen met het ‘voetvolk’ – zo om de één, twee weken. Een prachtig, visionair beeld.

Op een zonovergoten zondag

een kleine twee weken geleden ging de eerste en meteen ook de laatste processie in Arnhem van start. Van de meerdere processies waarvan Tilroes droom verhaalde, is er nog maar één over – maar dat belette de artistiek directeur niet om te doen alsof dát altijd de bedoeling was geweest. Tot en met het einde van de zomer zullen de kunstwerken uitsluitend nog in het park te zien zijn, vastgespijkerd aan bomen, gelast op sokkels in vijvers, op betonnen fundamenten verankerd.

Voor de beetje ingevoerde toeschouwer was die processie van 8 juni een merkwaardige, haast toverachtige belevenis. Wie herinnerde zich niet de beroemde praaltocht die de Belgische kunstenaar Francis Alÿs op 23 juni 2002 in New York had georganiseerd? Ter gelegenheid van de tijdelijke verhuizing van het Museum of Modern Art van Manhattan naar Queens bedacht Alÿs een memorabele tocht, waarbij de belangrijkste werken van het MoMA in kolossale reproducties op draagbaren, omringd door vaandelzwaaiers en muzikanten, plechtig vanaf Manhattan over de Queensboro Bridge naar Queens werden getransporteerd.

En nu was er in Arnhem plotseling een artistiek directeur, een internationale kunstkenner, die stelde dat zij toch echt de eerste was die met het idee van een processie was gekomen. Luidkeels verkondigde ze hoe ontroerd ze was over de manier waarop de kunst door de Arnhemse bevolking werd rondgedragen. Maar dat was juist het probleem. Want was er wel kúnst te zien in de praaltocht? Van kunstwerken die te groot, te hoog, te zwaar of anderszins te gecompliceerd waren – en dat was het merendeel – werden alleen fragmenten in de stoet meegenomen. Sommige kunstenaars lieten hun eigenlijke werk gewoon in park Sonsbeek staan en toonden in de binnenstad iets heel anders.

Zo werd in plaats van het meditatieve ‘watergeheim’ dat de Braziliaanse kunstenaar Ana Maria Tavares in het park heeft gemaakt, een nietszeggend rek met lichte, geelgroene linten door de binnenstad rondgedragen. Van de aan De Ateliers opgeleide Thomas Houseago werden twee kleine houten maskers meegevoerd – een magere parafrase van de gespleten bronzen figuur die Houseago in park Sonsbeek toont. Maar met de bijdrage aan de parade van de Nederlandse Marijke van Warmerdam werd definitief afgerekend met het idee dat op deze optocht de kunst zelf werd gecelebreerd midden in het stadse leven.

Van Warmerdam maakte voor Sonsbeek 10 een hypnotiserende videofilm over een olifantenoog met wimpers die op en neer gaan als waterplanten in een tropische zee. Ze presenteert de film in een soort olifantenmeubeltje in het park. Maar tijdens de processie werd in plaats van dat werk genoegen genomen met een op doek afgedrukt olifantenoog dat over de rug van een echte olifant werd gelegd. De olifant, die gretig pootjes gaf en met zijn slurf zwaaide, kwam overigens uit dierenpark Emmen. Zo werd de kunst gereduceerd tot een gadget. Waar droomden we ook alweer van?

Vierentwintig kunstenaars

en twee kunstenaarsduo’s doen uiteindelijk mee aan Sonsbeek. Hun kunstwerken staan keurig in het park opgesteld, de hele zomer lang. Het aantal deelnemers is kleiner dan de dertig van wie Tilroe in maart nog repte tijdens een van haar promotietours naar Amerika. Gerhard Merz heeft weliswaar speciaal voor Sonsbeek ‘een monument voor de twintigste eeuw’ gemaakt, maar dat werk is niet te zien, want was uiteindelijk te duur, volgens Tilroe. Ook Job Koelewijn is afgehaakt.

Dat brengt het aantal beelden in park Sonsbeek toevalligerwijs op zesentwintig (ter vergelijking: op Jan Hoets editie van 2001 waren meer dan zeventig kunstwerken te zien). Die zesentwintig zijn, mirabile dictu, precies de letters van het alfabet. In de inleiding van de catalogus roept Cornel Bierens dan ook enthousiast: „Inderdaad, 26, een getal dat op zichzelf al lonkt naar de taal. Het hele alfabet hebben we in beelden!” Alsof het altijd zo was voorzien en gedroomd.

Die zesentwintig ‘letters’, c.q. kunstwerken, moeten in een nauw onderling verband bekeken worden. Na het olifantenoog van Van Warmerdam, vlakbij villa Sonsbeek, moet je daarom een heel eind verder in het park doordringen om de opgebaarde lindeboom met kluit van Michel François te vinden. Het ene werk versterkt het andere. De zwakkere broeders worden opgetild door de sterkeren, zegt Tilroe over de gedachte achter haar belettering. Maar in de praktijk blijkt dat kunstenaars uiteindelijk toch altijd eigenwijs hun eigen gang gaan: die kiezen een plek die het beste bij hun werk past, en niet een letter in een alfabet. En zodoende is het parcours chaotisch, liggen A, R en E bij elkaar op een kluitje, maar zijn W en V een half park van elkaar verwijderd. Wie de tocht ‘letterlijk’ wil maken, kan beter een dag uittrekken en de helft van die tijd zijn ogen sluiten.

Toch zijn dat soort praktische bezwaren overkomelijk. Het park is idyllisch en sommige kunst is sterk genoeg van zichzelf – die hoeft niet in een groter verband te figureren. De werken van de Argentijn Tomas Saraceno en van het Zwitserse duo Steiner & Lenzlinger zijn daar mooie voorbeelden van. Saraceno maakte een gigantische ballonnen constructie waar een tuintje in groeit. De ballonnen liggen ingeklemd in een dal vol beukenbomen. Het beeld van boven op dat dal is sprookjesachtig – alsof er maar iemand met een vinger hoeft te knippen en alles stijgt de lucht in, met de aarde en de bomen als touwtjes bungelend aan de ballonnen.

Steiner & Lenzlinger ontwierpen een ijsblauw geschilderd tuinhuisje, waar tuingereedschap uit de omliggende buurt is verzameld en in de loop van de tentoonstellingsperiode overwoekerd raakt met kunstmestschimmels. Harken, schoffels, takken, spades groeien wild uit het huisje, binnen licht de kunstmest oogverblindend roze op.

Het werk van Saraceno en van

Steiner & Lenzlinger nadert het dichtst Tilroe’s droom over wat kunst vermag en kan. Met Sonsbeek 10 wil ze een idealistische ‘lichting’ kappen die een blik biedt op de hemel. Saraceno doet dat letterlijk. Het Zwitserse duo kapt een nieuwe weg door pure kunstmatigheid in een wonderschoon, organisch daglicht te plaatsen.

Maar Tilroes droom reikt nog verder. „De vraag: hoe met elkaar te leven?” schrijft ze in de catalogus, „vereist een andere benadering dan een bijna journalistiek verslag van de menselijke duisternis. Daar hebben we al zoveel van. En het verlamt ons. Wat we missen zijn beelden die een hakmes hanteren. Niet om te vernietigen. (...) We missen beelden die terugwijzen naar ons diepste verlangen: groter te zijn dan we zijn.”

Dat diepste verlangen naar meer menselijkheid om je heen, het verlangen om de grenzen van de vrijheid af te tasten en te wijzen op de morele verantwoordelijkheid van kunst en kunstenaar – het klinkt allemaal heel schoon op papier. Maar opnieuw gingen de meeste kunstenaars toch maar hun eigen weg. Matthew Monahan koos met zijn existentiële beeld The Ornamental Hermit liever voor de ‘menselijke duisternis’, zoals Francis Bacon die ook zo meedogenloos schilderde. Serge Onnen stortte zich met twee speeltafels op een thema dat op tal van groepstentoonstellingen en biënnales aan de orde komt: de menselijke geldzucht – en hij voegde daar werkelijk geen vernieuwende artistieke visie aan toe. De Spanjaard Fernando Sánchez Castillo ten slotte besloot om nóg maar eens de wereldleiders uit de geschiedenis tot voorwerp van spot te maken. We hebben het gezien, het is al eerder gedaan.

Wat dit soort kunstwerken met het streven naar menselijke grootsheid te maken heeft, blijft raadselachtig. De droom die aan de basis lag van Sonsbeek 10 blijkt twee jaar later aangepast en in een pragmatisch stramien gegoten. Er is geen sociale, draagbare kunst. Er bestaat geen ‘gouden driehoek’ tussen processie, kunst en catalogus. De kunst is er. Maar zo muurvast als ze wordt gepresenteerd – als een verboden snoepje in een bonbondoos – zo vluchtig is de droom op basis waarvan ze bijeen werd gezocht.

Sonsbeek 10. T/m 21 sept in Park Sonsbeek, beginpunt bezoekerscentrum Sonsbeek, Zijpendaalseweg 24a, Arnhem. Toegang gratis. Inl: www.sonsbeek2008.nl

    • Lucette ter Borg