Duurzame kernenergie

In het energierapport voor 2008 voorspelt het kabinet dat Nederland over precies 42 jaar meer gebruik zal maken van kernenergie. Voor zo’n prognose is geen politieke moed nodig. Anders gezegd, het kabinet durft geen knoop door te hakken en beperkt zich daarom tot het ambtelijke voorbereiden van een besluit over kernenergie dat een volgend kabinet zou kunnen nemen. Hooguit kan worden gezegd dat er in het rapport een klein stapje wordt gezet om toch nieuwe centrales te gaan bouwen. Dat is op zich een verbetering.

Maar genoeg is het niet, zeker nu het kabinet tot 2011 wel zeven miljard euro wil gaan investeren in energievoorziening. Omdat de bestaande technologie veiliger is geworden, hoeft het kabinet helemaal niet te wachten op een nieuwe generatie kerncentrales. Bovendien komt een flink deel van de elektriciteit in Nederland al uit kerncentrales, al staan de meeste centrales in België en in Frankrijk. Het kabinet zou daarom meer haast moeten maken met eigen kerncentrales.

Nederland is nu te afhankelijk van steeds schaarsere fossiele grondstoffen die bij verbranding ook nog eens broeikasgassen uitstoten. Het rapport beveelt daarom terecht aan om verschillende soorten duurzame en minder duurzame energiebronnen aan te boren. Maar van alle alternatieve technologieën die door het rapport worden opgesomd, is kernenergie het kansrijkst en het verst ontwikkeld. Door kernenergie wordt Europa minder afhankelijk van de landen die nu olie en gas produceren. Bovendien wordt de grondstof uranium ook in politiek min of meer stabiele landen gedolven.

Kernenergie produceert inderdaad afval dat pas in tienduizenden jaren zijn gevaarlijke straling verliest. Maar omdat er qua volume weinig afval bij kernsplijting overblijft, is dat probleem beheersbaar. Met veilige opslag van dit soort afval is eveneens al de nodige ervaring opgedaan.

Voorlopig blijft Nederland afhankelijk van conventionele energiebronnen. Het energierapport van het kabinet voorziet dat in 2050 nog steeds 60 procent van de elektriciteit uit fossiele brandstoffen of kernenergie komt. Steenkool blijft een groot aandeel houden in de energieproductie. Deze fossiele brandstof is overal in de wereld, ook in Europa, ruim voorradig. Een kolenkartel, zoals bij olie, is daarom onmogelijk.

Nadeel is echter dat steenkool veel meer broeikasgassen produceert dan olie of gas. Om die reden wordt er gewerkt aan opslag van het door kolencentrales geproduceerde koolzuurgas onder de grond. Net zo goed als bij kernenergie wordt hierbij het afvalprobleem naar latere generaties doorgeschoven en ook nog in veel grotere hoeveelheden. Intussen blijft het onzeker hoe bruikbaar de nieuwe en duurzame energiebronnen zijn waaraan ook wordt gewerkt. Experimenten met algen leveren nog te weinig op. Wind- en zonne-energie zijn te onrendabel voor grootschalige toepassing.

De dure olie maakt allerhande besparingen intussen wel rendabel, zonder dat die hoeven worden gesubsidieerd. Ook langs conventionele weg is er nog heel wat te verdienen.