Bedrijfsafval bij het smeden van de glorie

De Napoleon-geschiedschrijving verandert. In plaats van de kleine keizer zelf staan zijn soldaten nu vaker centraal; die bezweken massaal op de slagvelden van Egypte tot Waterloo.

Joost Welten: In dienst voor Napoleons Europese droom. De verstoring van de plattelandssamenleving in Weert. Davidsfonds, 751 blz. € 39,50

Altijd al iemand vol overgave willen zien sneuvelen voor Napoleon? Dat kan! Reis daartoe komend weekend naar de streek onder Brussel en zie hoe ‘re-enacters’ zich enthousiast in de zoveelste Slag bij Waterloo storten. Compleet met charges van de cavalerie, knallende kanonnen en brullende infanteristen in fraaie uniformen. Met de bloedige realiteit van de ‘morne plaine’ op 18 juni 1815 heeft dit spektakel, hoe amusant ook, weinig te maken. Maar het toont hoezeer Napoleon tweehonderd jaar na dato tot de verbeelding spreekt.

Een vernieuwende belangstelling voor Napoleon legt historicus Joost Welten aan de dag. Zijn proefschrift In dienst voor Napoleons Europese droom breekt met het ‘getto van Napoleonkenners’. Hiermee doelt Welten op de nadruk die in de geschiedschrijving nog altijd ligt op de persoon van de Franse keizer. De auteur heeft niets met ‘grotemannengeschiedenis’ of histoire bataille maar alles met het perspectief van onderaf. Weltens gezichtspunt is dat van dienstplichtigen en bevolking in de door de Fransen vanaf 1794 bezette Zuidelijke Nederlanden, speciaal het land van Weert.

Met als leidraad tientallen levensverhalen van Weertse dienstplichtigen (conscrits), knap gereconstrueerd aan de hand van rechtbankverslagen en officiële documenten, heeft Welten geprobeerd zicht te krijgen op het grotere proces van staats- en natievorming. Als poging tot mentaliteitsgeschiedenis op lokaal niveau is zijn studie geslaagd. De lezer krijgt een prachtige impressie van het leven in en rond een plattelandsstadje anno 1800, op zaken als liefde en huwelijken, nijverheid of de vestiging van het nieuw centraal gezag op lokaal niveau.

Volgens Welten werkten leger en legerdienst integratie in de hand. Immers, de Weertse (en vanaf 1811 overige Nederlandse) dienstplichtigen waaierden uit over diverse onderdelen in het leger van Napoleon. Ze bleven vaak jarenlang in het buitenland. Andersom grepen Franse officieren hun kans, maakten promotie, vestigden zich in de zuidelijke Nederlanden, trouwden en stichtten gezinnen.

Op deze wijze slaagde Frankrijk erin een lokaal netwerk op te bouwen dat leunde op loyale ambtenaren. In het Département de la Meuse Inférieure bleek de Franse staat verrassend goed te functioneren. Het heeft even geduurd voordat Weert de dienstplicht accepteerde. De eerste lichting van 1798 onttrok zich massaal aan de meldingsoproep. Tien jaar later was van dat verzet weinig meer over. Welten verklaart dit uit een pragmatisme. De nieuwe ordening werd aanvaard, maar niet omarmd.

Hiermee relativeert de auteur het beeld van het Napoleontische tijdperk als een periode van onderdrukking. Historici als Pieter Geyl en Jacques Presser hebben dat in hun klassieke Napoleon-studies (beide uit 1946) benadrukt. Hun beeld van de ‘Franse bezetting’ is sterk gekleurd door de Tweede Wereldoorlog. Tegenwoordig hebben grijstinten de klassieke zwart-wit-interpretatie van de jaren 1940-1945 verdrongen. De bezetting was niet alleen een verhaal van helden en collaborateurs. De meeste Nederlanders waren eenvoudigweg bezig met overleven. Ook in de Napoleontische tijd domineerden accommodatie en integratie. Welten toont dit overtuigend aan.

Minpunt is dat het de lezer op een gegeven moment duizelt. Welten voert met opzet zoveel personages op, om duidelijk te maken dat de dienstplicht ook het leven van personen uit de omgeving van de militairen, familie en vrienden, beïnvloedde. Maar toch, minder was in dit verband misschien wel méér geweest. Bovendien blijft Welten niet consequent bij Weert, maar put hij te hooi en te gras uit voorbeelden uit het hele toenmalige keizerrijk.

Een andere kanttekening bij deze fraai uitgegeven studie is dat de koppeling tussen micro- en macroperspectief niet echt uit de verf komt, iets wat wel vaker voorkomt bij het genre van microstoria. De lezer blijft met de vraag zitten hoe representatief de case study naar Weert voor het keizerrijk als geheel is. En de veronderstelling dat de Weertse boeren onder het Ancien Régime tijdens de Franse bezetting een grote stap maakten naar modern burgerschap is prikkelend, maar verdient nadere uitwerking.

Hoe liep het eigenlijk met die Weertse dienstplichtigen af? In tegenstelling tot de re-enacters van Waterloo waren ze niet te benijden. Dienstplichtigen waren slechts ‘bedrijfsafval bij het smeden van glorie’ zoals dichter Alphonse de Lamartine (1790-1869) optekende. De helft van de in totaal 600 opgeroepen mannen stierf. De meesten crepeerden anoniem achter het front. Ze stierven aan ziektes als dysenterie en tyfus ten gevolge van uitputting en slechte hygiëne. Een enkeling sneuvelde inderdaad op de slagvelden van Napoleon. Maar ook dat was meestal weinig roemvol.