Plasterk: pas op voor kluitjesvoetbal

De uitkomsten van de commissie-Dijsselbloem werden de afgelopen twee dagen opnieuw besproken in de Kamer. De fracties wilden dit keer helderheid. Die kregen ze ten dele.

Antwoorden moesten er komen. Wat is het kabinet van plan te doen met de conclusies en aanbevelingen van de commissie-Dijsselbloem, die de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen decennia onderzocht? Daarover ging het de afgelopen twee dagen in de Tweede Kamer.

Het werd een marathondebat, waarin het hele onderwijsbeleid nog eens onder de loep werd genomen. Van fundamentele zaken als artikel 23 van de Grondwet, dat de vrijheid van onderwijs regelt, tot praktische kwesties als de rol van lerarenverenigingen bij innovatie.

De Tweede Kamer had al eerder stilgestaan bij Dijsselbloem. Het kabinet had al schriftelijk gereageerd op de conclusies en aanbevelingen van de commissie. Om te voorkomen dat dit debat een herhaling van zetten zou worden, zinden de diverse Kamerfracties op helderheid. Concreet beleid.

Die duidelijkheid kwam er ten dele. Zo is het kabinet van plan om het ‘stapelen’ van opleidingen, bijvoorbeeld van vmbo naar havo, in ere te herstellen. Het afgelopen decennium was dat stapelen namelijk niet altijd mogelijk. Binnen de opleiding tot leraar basisonderwijs (pabo) kunnen studenten gaan kiezen tussen lesgeven aan de onder- of aan de bovenbouw. Middelbare scholen krijgen een ‘leerlingvolgsysteem’, zoals in het basisonderwijs al gebruikelijk is.

Aan het slot van het tweedaagse debat bleek dat er vooral veel toezeggingen zijn gedaan. „Over twee weken”, „in september” of „in het najaar” krijgt de Kamer zeventien rapporten, brieven, onderzoeken of nota’s van het kabinet. Vrijwel alle te nemen maatregelen moeten eerst nog worden bestudeerd.

Bij het parlement leefde de vraag of het kabinet het eigenlijk wel eens is met de hoofdconclusie van Dijsselbloem: dat de overheid haar kerntaak van het zeker stellen van deugdelijk onderwijs ernstig heeft verwaarloosd. Nee dus. Die indruk wekte minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) althans toen hij weigerde deze zinsnede letterlijk te herhalen. Hij ging niet verder dan: „er zijn dingen fout gegaan”, tot ergernis van een groot deel van de oppositie.

Deze semantische discussie verhulde niet dat Plasterk en zijn twee staatssecretarissen zich wel degelijk in grote lijnen kunnen vinden in de conclusies van de commissie-Dijsselbloem. „We zijn kinderen van dezelfde tijd”, aldus Plasterk. Zo onderschrijft de bewindspersoon het belang van taal en rekenen, wil hij de leraar centraal zetten en niet alles vanuit Den Haag bepalen.

Maar er was ook een waarschuwing. Volgens de minister lijkt er „massieve consensus” te bestaan over de drama’s van het nieuwe leren, de schaalvergroting en het niveau. Het risico is dat de politiek nu weer „kluitjesvoetbal” gaat spelen. Zo slecht is het allemaal ook weer niet, wilde Plasterk maar zeggen.

Elke partij had een andere interpretatie van Dijsselbloem. Het CDA wil het vertrouwen herstellen, de PvdA wil meer doorstroommogelijkheden voor leerlingen, de SP wil alle macht voor de leraar. De PVV waarschuwde tegen massa-immigratie, GroenLinks tegen te vroege selectie.

Op het laatst ging de discussie over de vraag of ‘Dijsselbloem’ wel of niet een trendbreuk heeft veroorzaakt. Vooral Jasper van Dijk van de SP vond duidelijk van niet. Daarop antwoordde CDA’er Jan Jacob van Dijk dat de SP „arbeiderszelfbestuur” bepleit. De VVD en D66 wilden een „samenhangend onderwijsplan” van de minister. Dat is er nu niet, vonden ze.

Daar dacht Plasterk anders over. Het beleidsplan van het kabinet is samenhangend genoeg, vond hij. In de komende drie jaar zal bovendien blijken dat er ook zaken „ten goede” zullen veranderen buiten de coalitieafspraken om. Voor de echte invloed van Dijsselbloem is nog even geduld vereist.

Meer over Dijsselbloem: nrc.nl/onderwijs

    • Derk Walters