Oerinstinct

De jacht is eindelijk aan het verdwijnen. De vogeltjesjacht was hier altijd volksvermaak nummer een. Iedere zot schoot in het wilde weg op alles wat bewoog.

Omdat er buiten de menselijke soort niets levends dreigde over te blijven en ook omdat men elkaar te vaak raakte kregen de jagers in het verleden al beperkingen opgelegd.

Er werden binnen het jachtseizoen jachtloze dagen vastgesteld, er kwam zelfs een soort jachtexamen, maar geen diervriendelijke maatregel, geen gewetensknaging kreeg voor elkaar wat de supermarkten voor elkaar kregen.

Voortaan zou een vrije dag steeds vaker betekenen: hopla, met vrouw en kinderen de auto in en een heerlijk dagje uit naar de winkelrekken. Commerciële centra met de allure van paleizen en Griekse tempels schoten in iedere provincie uit de grond. Geen Portugees hoefde langer dan een uur te rijden naar het paradijs.

Er resteren altijd ellendelingen die niets over hebben voor vrouw en kinderen. Of die geen auto kunnen betalen. De jacht van de bittereinders duurt onverminderd voort.

Ik weet niet goed wat ik denken moet van de jacht. Je wilt niet zo’n mietje zijn dat zich solidair verklaart met de vegetariërs en de vogeltjeskijkers. Je wilt niet bekend staan als iemand die blijkbaar niet beseft dat moord en doodslag bij de mens zitten ingebakken. Je wilt niet lijken op de naïeveling die denkt dat zijn mooie opinie de loop van de wereld zal veranderen. Je wilt per se de eigenaar blijven van de stelling dat het beter is te jagen dan gejaagd te worden.

Bovendien, als ze in mijn achtertuin niet moorden, dan moorden ze wel in China.

Er zit veel filosofie vast aan de jacht.

Toch vervult de jacht me met weerzin. Het is niet eens het jagen zelf, ben ik bang, het zijn de mensen die het doen. Mijn weerzin wordt elke keer heviger aangewakkerd als ik de kop van een verwoede jager zie. De koppen van jagers deugen niet. Jagers hebben geen mensengezichten. Ze hebben tronies. Ze hebben smoelen.

Ik heb een hekel aan deze misgeboorten. Ik weet dat ik gelijk heb, want ik ben in goed gezelschap. Ook de dieren hebben er een hekel aan.

Als ze rondom het dorp weer eens losbranden, de mannetjesputters met hun oerinstinct, de after shave-Tarzans die van moeder een halve dag alleen op stap mogen, duiken de vissen onder, slaan de honden op de vlucht, schieten de katten weg in de tochtreten. De hele natuur siddert.

Morcego de vleermuis, het hulpje van de vuurwerkafsteker, staat bekend als de beste jager van het dorp. Geduld heeft hij zeker. Een uur achtereen kan hij roerloos onder een olijfboom staan, om daar nu en dan een vogel uit te knallen.

Merels, heb ik me laten vertellen. Koddige dingen. Niet groot en niet klein.

Niet speciaal iets om er instincten op te botvieren, oer of niet.

Kom mee, kom mee, sist Morcego me toe. Ik wandel toevallig langs. Hij woont vlakbij, in een geval van golfplaten en oude planken. Hij wenkt me naar binnen. In zijn eenkamerwoning staat een reusachtige koelkast uit de jaren vijftig, gevonden bij het vuil. Hij opent de deur van de koelkast en grijnst. De compartimenten zijn volgestouwd met afgeschoten merels. Torentjes van merels, piramiden van merels, rozetten van merels.

Gerrit Komrij