De zoveelste verbetering van de voetbalbal

De officiële wedstrijdbal van het EK voetbal 2008, de Europass, zou weer beter zijn dan z’n voorgangers. Waar of niet, innovatie van de bal verandert het voetbal.

De Tango, voor het WK 1978 Foto’s Picture-Alliance / ASA The undated handout shows the official soccer ball 'Tango Rosario' of the FIFA World Cup 1978 in Argentina. Photo: Adidas Keywords: ball, balloon, dance, soccer, SPO, Sport, sports picture-alliance/ dpa/dpaweb

Bij Eddy Pieters Graafland, oud-keeper van Ajax en Feyenoord en 47-voudig international (van 1958 tot 1967), heeft de wedstrijdbal uit de jaren vijftig een blijvende indruk achtergelaten. Die bal was bruin, zwaar en als je niet oppaste gevaarlijk. „Het was een zuiver leren bal zonder waterafstotende toplaag. Regende het, dan woog het ding minstens vijf kilo. Na de rust kwam de bal niet meer hoog en ging alles langs de grond.”

Van alle wedstrijdballen is het langst tegen de bruine knikker geschopt. Deze bal bestond al in 1912 en stamt direct af van de oerbal, waarmee de eerste potjes voetbal werden gespeeld: een opgeblazen varkensblaas met een leren omhulsel. Tot ver in de jaren vijftig had deze bal een ‘button’. Dat was het deel waaronder het ventieltuitje zat en waar het leer met veters aan elkaar was geknoopt. Een kopper van deze bal kon het slecht treffen. Pieters Graafland: „Had hij pech, dan stond er een veterafdruk op zijn voorhoofd.”

Koppen werd vermeden, want ook bij droog weer riskeerde de speler een hersenschudding. Ook was de lange trap een stuk minder lang dan nu, en waren schoten op doel van buiten het zestienmetergebied schaars. Vooral spitsen ontpopten zich tot aartspingelaars, die de bal vaak tot over de doellijn liepen. Ze moesten wel. Zo heeft de zware bruine bal bijgedragen tot het pingeltalent van Faas Wilkes en Abe Lenstra. Dribbelkoning Johan Cruijff kon bij zijn debuut in het eerste van Ajax de bal hooguit tien meter ver schieten.

Pieters Graafland heeft nog net de eerste leren ballen met een plastic coating meegemaakt. Die kwamen in de loop van de jaren zestig. Ze wareneen stuk gladder, wat een voordeel voor de doelman was: een diep gespeelde bal schoot eerder door, terwijl de oude leren bal nogal eens vlak achter de verdediging stilviel. Maar de ‘grip’ van de geplastificeerde bal was minder. Daarop vond Pieters Graafland iets. „Mijn vrouw heeft stroken rubber van een tafeltennisbatje op wollen wanten genaaid. Dat waren mijn eerste handschoenen.” Je kunt stellen dat de keepershandschoen er is gekomen dankzij de geplastificeerde bal.

Niet veel later kwam er een internationale standaard voor de afmeting (22 cm doorsnee) en het gewicht (vier ons) van de wedstrijdbal, maar er bleven wereldwijd grote verschillen. Vooral in warmere landen als Argentinië en Portugal was de bal een stuk lichter. Tijdens de WK-finale voor clubteams in 1972 tegen Independiente stuiterde de bal alle kanten op, weet oud-Ajaxdoelman Heinz Stuy. Spelers maakten al volop gebruik van de eigenaardigheden van een bal. „Het materiaal rond het ventiel was harder dan de rest. Raakte je precies het ventiel, dan ging de bal zwabberen en rare capriolen maken. Vooral spelers die een harde trap hadden, deden dit bewust.”

In het televisietijdperk komt er meer aandacht voor het design bij de ontwikkeling van de bal. Adidas lanceerde voor het WK van 1970 in Mexico de Telstar, de eerste zogeheten buckminsterbal, met twaalf vijfhoeken en twintig zeshoeken. Bij de Telstar zijn de vijfhoeken zwart en de zeshoeken wit. Hierdoor was de bal beter te volgen op zwart-wittelevisie. Opvolger Tango, de WK-bal van Argentinië 1978, had een patroon van twaalf identieke cirkels. Dit design werd in 2002 verlaten.

Een volgende stap was de geheel synthetische bal, op het WK van 1986 in Mexico voor het eerst gebruikt. De synthetische bal absorbeerde geen druppel water en beloofde een zachtere ‘touch’ en snellere glijvlucht. Het was ook de geboorte van de zwabberbal, nachtmerrie voor de huidige doelman.

Als we fabrikanten als Adidas en Nike moeten geloven, blijft de bal evolueren. Vanaf de jaren negentig wordt elk EK en WK een wonderbal gepresenteerd, sneller, accurater en beter onder controle te houden dan de vorige. De Fevernova van het WK van 2002, een hightechbal met een schuimlaag van microscopische luchtbolletjes, werd aangeprezen als de meest accurate ooit. De bal van het WK in Duitsland, de Teamgeist, vervormde minder en was hierdoor beter handelbaar en voorspelbaar. Maar uit laboratoriumtesten blijkt dat de hightechballen van de laatste tien jaar elkaar weinig ontlopen. Ook de toernooibal van dit EK, de Europass van Adidas, is een wonderbal. Het fijne oppervlak zorgt voor betere grip en controle.

Dat de ballen steeds beter worden is een verkooppraatje van de fabrikant, meent Aad de Mos, trainer van eredivisieclub Vitesse. Spelers zul je nooit om een nieuwe bal horen vragen omdat ze de oude zat zijn. „Het is de FIFA die zijn handel verkoopt. EK’s en WK’s zetten de trend als het gaat om shirts en ballen. Hoeveel geld daarin omgaat, is niet te overschatten. ”

Beter zijn de hightechballen niet, vindt De Mos. „Je ziet die lichte ballen van Nike en Adidas vaak vlak voor een keeper wegdraaien, waardoor het net lijkt dat hij een blunder maakt.”

Bestaat de wonderbal eigenlijk wel? Zeker, zegt De Mos, in de tachtiger jaren kwam er een bal dicht in de buurt: de Derbystar. Maar met die vaststelling krijg je natuurlijk de verkoopcijfers niet omhoog. „De Derbystar had de juiste stuiter tot kniehoogte, nam bij nat weer geen vocht op en was helemaal wit, waardoor je geen last had van visueel bedrog. Je had bij de aanname het gevoel dat de bal een is met je lichaam. Maar de voorkeur voor een bal is heel persoonlijk, ik speelde er de thuiswedstrijden van Ajax mee.”

Uiteindelijk is het resultaat van de zoektocht naar de wonderbal de verandering van het voetbal. Pieters Graafland: „Wat mij opvalt, is het gemak waarmee keepers tot driekwart van het veld uittrappen. Als je een paar meter over de middellijn haalde, was je in onze tijd spekkoper.” Technische spelers bestrijken met hun trap steeds vaker bijna alle uithoeken van het veld. Scoren gebeurt van achter de middellijn. Oud-PSV’er Alex introduceerde de vrije trap in de vorm van een directe aanslag op muurtje, doelman of publiek.

De Mos zwakt de invloed van de lichte hightechbal af. In 1970 zag hij Pelé al een briljante goal maken van achter de middellijn. Ook zijn er nu voetballers die de bal nog geen tien meter ver trappen.

De Mos: „De veranderingen worden eerder mogelijk gemaakt door een betere techniek en grotere fitheid van de spelers. Hierdoor worden ruimtes kleiner en moet er sneller worden gespeeld.”