De productie stagneert

De olieproductie neemt in veel gebieden af, makkelijk winbare voorraden raken op – belangrijke factoren bij het stijgen van de olieprijs. Deel 2 van een driedelige serie: het aanbod.

Alle soorten benzine boven de 4 dollar, toont het bord bij een benzinestation in Moreau, New York. Foto AP A gas station sign is seen in Moreau, N.Y., Wednesday, June 18, 2008. Oil prices rose Wednesday, rebounding from earlier losses on reports that Nigerian oil workers are about to strike and as investors focused on a surprise decline in gasoline inventories last week. (AP Photo/Mike Groll) Associated Press

De productie van olie kan de stijgende vraag niet meer bijbenen. Sterker nog, de productie in de Noordzee krimpt, die in de Golf van Mexico ook, in Rusland is de groei eruit. Nigeria kampt met politieke problemen, Iran met economische sancties, en de OPEC wil of kan haar productie niet snel verder opvoeren. Bovendien schiet de raffinagecapaciteit tekort om meer benzine en diesel te halen uit ‘vuilere’ ruwe olie.

Het buizennet van raffinaderij Shell Pernis, bij Rotterdam, ziet eruit als één groot spaghettikluwen. Zo’n 160.000 kilometer aan pijpleidingen ligt hier ineengestrengeld over 550 hectare.

Als de fabrieken van dit gigantische ‘raffinagedorp’ – het grootste van Europa – op volle toeren draaien, wordt hier per seconde 800 liter ruwe olie verwerkt, oftewel 21 miljoen ton per jaar. Maar het lot van de raffinaderij is onzeker.

De verkoop van benzine in Duitsland, vanouds de belangrijkste afzetmarkt van Pernis, loopt gestaag terug met 5 tot 7 procent per jaar. Nederland, de tweede afzetmarkt, stagneert. Gevolg: raffinaderij Pernis zit met een structureel overschot aan benzine.

Dit terwijl er juist sterke vraag is naar diesel en kerosine in Europa, waar steeds meer auto’s op diesel rijden, en Azië. Die krapte aan zogeheten middeldestillaten is een van de oorzaken van de hoge olieprijzen. Raffinaderijen moeten extra olie verwerken om aan die vraag te voldoen, maar zijn daar niet voldoende voor uitgerust.

„Olieraffinage in de EU, maar ook in de VS, is een flessenhals geworden”, zegt Aad Correljé, energiedeskundige aan de TU Delft en Clingendael. „Dure investeringen in extra ontzwaveling en andere raffinagemogelijkheden zijn hard nodig om de lagere kwaliteit op te vangen, maar ze zijn niet vanzelfsprekend. Juist omdat de thuismarkt in het Westen krimpt.”

De leiding van Shell is bereid 1 miljard euro op tafel te leggen om de raffinage in Pernis aan te passen. Maar dan moet de raffinaderij er wel voor zorgen dat ze operationeel weer tot de wereldtop behoort, liefst dit jaar nog. Lukt dit niet, dan dreigt de raffinaderij – waar 1.300 mensen werken – te degraderen tot lokale lilliputter.

Die heikele kwestie illustreert het dilemma waarmee olieconcerns als Shell, BP of Total worstelen. Ze aarzelen met investeren, en wel om drie redenen.

Vervolg Olie: pagina 17

Kosten om olie te winnen nemen toe, de kwaliteit neemt af

Eén: de vraag naar olie in het Westen daalt. In 2006 verbruikten de OESO-landen nog 49,3 miljoen vaten per dag, maar dit aantal zal tegen eind 2008 met 1,5 procent geslonken zijn, voorspelt het Britse onderzoeksbureau CGES. Niet-westerse landen nemen de fakkel over – China en het Midden-Oosten voorop. Dit jaar zal daar het record van 37,7 miljoen vaten per dag bereikt worden, 2 procent meer dan in 2006 en 44 procent van de mondiale consumptie.

Twee: oliewinning in Europa en Amerika slinkt. Sinds 1999 pompen Britse olievelden elk jaar 7 procent minder op. Het Noorse aanbod krimpt sinds 2001 met 2 procent per jaar. Binnen vijf jaar, verwachten specialisten, zal de totale toevoer uit Europa 15 procent lager liggen dan nu. In Noord-Amerika is de terugval iets lager – 1,3 procent per jaar – omdat olie uit teerzand in het Canadese Alberta voor een alternatief zorgt, zij het van mindere kwaliteit.

Drie: de kosten om het ‘zwarte goud’ te winnen stijgen, en de kwaliteit neemt gestaag af. In de loop der jaren zijn 1.100 miljard vaten ruwe olie gewonnen. Volgens het Internationaal Energie Agentschap zijn er nog 4.500 miljard te ontginnen met de huidige technologie. Maar het tijdperk van easy oil – makkelijk winbare conventionele olie – is voorbij.

Bij een piek van 140 dollar per vat, zoals deze week even het geval was, zal de raffinage-industrie meer geneigd zijn minder dure, dus zwaardere olie te verwerken, die ook meer zwavel bevat. „Maar ruwe olie van lagere kwaliteit is ook moeilijker te verwerken tot olieproducten van hogere kwaliteit”, zegt Correljé. „Dit vergt meer investeringen in verwerkingscapaciteit.”

De Clingendael-expert gelooft niet dat de Europese raffinagebranche in staat zal zijn om de capaciteit op korte termijn drastisch op te krikken: „Dit is een proces dat pas in 2012 effect zal hebben.” De kans is daardoor reëel dat de prijs van benzine, kerosine, diesel of huisbrandolie nog verder stijgt.

De zogeheten peak oil-theorie, die ervan uitgaat dat de wereld haar maximale olieproductie binnen enkele jaren bereikt, is correct, gaf Shell-topman Jeroen van der Veer onlangs aan in een interne bedrijfspublicatie. „Althans voor easy oil.”

Toen dit model van piekolie in 1956 door een voormalig Shell-medewerker werd ontwikkeld, waren oliewinning in de diepe Golf van Mexico of destillatie uit teerzand en leisteen nog niet in zicht. „Investeringen daarin zijn duurder”, erkent Van der Veer, „maar het winstpotentieel per vat is ook groter.”

Peter Odell, energiespecialist en emeritushoogleraar aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, zegt dat al jarenlang: „Het olieaanbod is geen kwestie van geologie, maar van economie.” Kortom, er is genoeg olie, de vraag stuwt de markt en de hoge prijs maakt moeilijke exploitatie rendabel. Sceptici beginnen dit echter ter discussie te stellen. Er spelen steeds meer geopolitieke factoren die de oliemarkt hinderen.

„Er ís geen marktmechanisme”, zucht Ivo Bozon, hoofd energiedivisie bij consultant McKinsey. „Zo’n 25 procent van het wereldaanbod reageert niet op prijssignalen.” Een van de knelpunten is dat klassieke westerse olieconcerns als ExxonMobil, BP, Total en Shell, toegang hebben tot slechts 15 procent van de oliereserves. Staatsbedrijven als Gazprom (Rusland), Aramco (Saoedi-Arabië), PdVSA (Venezuela), Nioc (Iran) en PetroChina beheersen 80 procent van het aanbod.

De hoop vestigen op niet-OPEC-landen om op korte termijn de productie te verhogen, heeft volgens Bozon weinig zin. Drie jaar geleden had door de sterk toegenomen vraag naar technische dienstverleners – bedrijven als Halliburton en Schlumberger die boringen verrichten en platformonderdelen leveren – een hausse plaats in servicekosten. „Dienstverleners werden jarenlang uitgeknepen door de internationale olieconcerns, er was geen cent te verdienen in die wereld. Nu is het andersom. Het is payback time.”

De keerzijde van die ‘wraak’ van dienstverleners is echter dat het voor veel projecten moeilijk is winstgevend te zijn. „Oliemaatschappijen krijgen voor een investering van 10 miljard nu nog maar de helft van wat ze vroeger kregen”, aldus Bozon. En dat doet de olieprijs geen goed.

Tel daarbij op de verwoestende belastingmaatregelen die sommige niet-OPEC-landen oliemaatschappijen opleggen, en het is volgens hem duidelijk waarom investeringen achterblijven. „Het belastingregime in Rusland is belachelijk. Dat maakt olieconcerns minder winstgevend. Bij olieprijzen van 130 dollar is investeren misschien nog aantrekkelijk, maar de meeste bedrijven houden juist rekening met veel lagere prijzen. Zij denken: hoe lang nog?”

Hoewel volgens veel analisten het grondstoffennationalisme in Rusland nog steeds in hoge mate economisch gedreven is, zorgen de bekoelde politieke relaties tussen het Westen en Rusland niet voor betere handelsbetrekkingen. De harde Brusselse retoriek naar Moskou en de onvrede van Rusland over onder meer de oostelijke uitbreiding van de NAVO, de Amerikaanse plannen voor een raketschild, en Kosovo zorgen indirect voor spanningen op de oliemarkt.

Het trauma dat de OPEC overhield na de olieschok in de jaren negentig speelt ook een rol. Ook toen stegen de prijzen explosief, waarop het kartel, op aandringen van het Westen, miljarden investeerde om de productie op te krikken. Net daarna gingen de olieprijzen echter onderuit, doordat elektriciteitscentrales in het Westen massaal overschakelden op gas en kolen. Dat kon bij de OPEC niet op waardering rekenen.

Tegelijkertijd zit Saoedi-Arabië in een lastig parket, en dat zorgt voor een tweespalt binnen de OPEC. Belangrijke afnemers van Saoedi-Arabië zijn de VS en Europa, maar juist daar is het verbruik vorig jaar afgenomen – in de VS met 0,1 procent en in de EU met 2,6 procent. Terwijl in opkomende economieën als China en India – en zeker ook in het Midden-Oosten zelf – de vraag gestaag blijft toenemen, mede als gevolg van forse subsidies op brandstoffen.

De OPEC mag dan officieel speculanten telkens de schuld geven van de dure olie, bij Saoedi-Arabië lijkt het besef te groeien dat er iets gedaan moet worden. Het heeft al een spoedoverleg met de OPEC-landen belegd op 22 juni. Deze week kondigde het aan zijn productie met 200.000 vaten per dag te verhogen.

Dat de problemen met het vergroten van de productie „niet geologisch van aard zijn maar politiek” – zoals de Britse BP-topman Tony Hayward vorige week in een opiniestuk in de Financial Times schreef – blijkt ook uit andere voorbeelden. Het Amerikaanse Congres legt al enkele jaren strafmaatregelen op aan buitenlandse bedrijven die zaken doen in Iran. Dit is nog steeds de vierde olieproducent en -exporteur ter wereld. Door de sancties zijn oliemaatschappijen als Shell, met enorme belangen in de VS, zeer terughoudend met investeringen daar.

Voor buurland Irak geldt feitelijk hetzelfde. In 1991 legden de VN het land – dat na Saoedi-Arabië en Iran over de grootste oliereserves beschikt – sancties op, waarna de productie instortte. Langzaam krabbelde die daarna weer op, maar na de inval van de Amerikaanse troepen in 2003 bereikte die opnieuw een dieptepunt.

In Saoedi-Arabië, ’s werelds grootste olie-exporteur en traditioneel een van de enige swing-producers (die pieken in de vraag naar olie kon opvangen) begint de onvrede over het Amerikaanse beleid in het Midden-Oosten langzaam zichtbaar te worden. De invloedrijke prins Turki al-Faisal, zoon van wijlen koning Faisal en oud-ambassadeur in de VS, beschuldigde de VS in een vraaggesprek met deze krant onlangs van partijdigheid in de regio. De positie van Bush zou ernstig verzwakt zijn in Saoedische ogen.

Dat zou kunnen leiden tot minder welwillendheid van Saoedi- Arabië bij verzoeken van de VS om de olieproductie te verhogen. Bush is om die reden het afgelopen jaar naar Riad gegaan, maar met lege handen teruggekeerd. Medhi Parvizi Amineh, hoofd van het energieprogramma Azië aan het Internationale Instituut voor Azië Studies (IIAS), zegt hierover: „Autoritaire regimes in het Midden-Oosten streven uiteindelijk naar instandhouding van de macht van de bestaande dominante politieke elite. Als dat gevoel maar sterk genoeg is, dan kunnen er gekke dingen gebeuren.”

Maar de VS zijn volgens Amineh nog altijd een belangrijke bondgenoot van Saoedi-Arabië. Wel voegt hij daaraan toe: „We kunnen de situatie in de toekomst niet voorspellen. Onder druk wordt de tendens van het buitenlands beleid – weg van de VS en naar nieuwe economieën als China en India – sterker. En dat heeft absoluut gevolgen voor de energievoorziening.”

De hoge olieprijzen van nu hebben ook op een andere manier een politiek luchtje, zegt onderzoeker Christian Egenhofer bij het centrum voor Europese beleidsstudies (CEPS) in Brussel. „De markt reageert uitzonderlijk scherp op alles wat in de politieke arena gebeurt dat van invloed kan zijn op het aanbod.” Dat leidt tot wilde prijsschommelingen. Al-Qaeda dat een aanslag pleegt op een installatie in Saoedi-Arabië. Of Israël dat een Arabisch buurland bombardeert. En Irak kan weer in chaos geraken. „We hebben gezien wat voor dramatisch effect dat heeft gehad op de olieproductie in landen als Venezuela en Nigeria.”

Voor meer over de olieprijsstijging, en deel 1 van deze serie: nrc.nl/olie