De honden blaften maar beten niet

De Britse huurling Simon Mann staat in Equatoriaal-Guinee terecht voor een poging tot staatsgreep.

De mislukte coup lijkt een kopie van een romanverhaal.

De enige zoon van de voormalige Britse premier Margaret Thatcher raakte betrokken bij de geplande staatsgreep toen hij werd beschuldigd van het financieren van de huurlingen. In 2005 ontkende hij tegenover een Zuid-Afrikaanse rechtbank dat hij wist van het plot, maar bekende dat hij geld uitgaf zonder weet te hebben van de bestemming. Sir Mark kreeg een voorwaardelijke celstraf en een geldboete van 265.000 Britse ponden (335.000 euro, volgens de huidige wisselkoers).

Men neme een bijeengeraapt legertje huurlingen, een oud-leerling van Eton en een corrupt staatshoofd van een onbeduidend, maar olierijk staatje in Afrika. Vul dat aan met een schimmige Libanese zakenman, een politicus in ballingschap en de zoon van een Britse ex-premier. Ziedaar de ingrediënten voor een verhaal dat lijkt op een roman. Een verhaal, dat bovendien zijn ontknoping nadert.

In Malabo, de hoofdstad van Equatoriaal-Guinee, wordt mogelijk vandaag het vonnis geveld over Simon Mann (55), een Britse huurling die terechtstaat voor een poging tot staatsgreep in het West-Afrikaanse staatje waarvan het oppervlakte en inwonertal omgekeerd evenredig zijn aan de olierijkdom. Mann, voormalig leerling van Eton en voormalig officier van de elite-eenheid SAS, zou geassisteerd zijn door Mark Thatcher, de enige zoon van de Britse oud-premier Margaret Thatcher.

Mann werd in 2004 samen met zeventig, voornamelijk Zuid-Afrikaanse collega’s gearresteerd in Harare waar zij probeerden om in een met wapens volgepropte Boeing 727 naar Equatoriaal-Guinee te vliegen. Mann kreeg in Zimbabwe drie jaar cel voor een poging tot illegale wapenaanschaf, de Zuid-Afrikanen werden thuis vervolgd. Dit jaar werd Mann uitgeleverd aan Equatoriaal-Guinee, dat hem vervolgt voor het veronderstelde plan om president Teodoro Obiang Nguema omver te werpen en te vervangen door oppositieleider Severo Moto. In ruil voor de macht zou Moto lucratieve oliecontracten geven aan Ely Calil, een in Londen woonachtige Libanese zakenman die zijn fortuin vergaarde in Nigeria. Calil zou de opdrachtgever zijn geweest van Mann en zijn kompanen.

Mann staat formeel terecht voor misdaden tegen het staatshoofd, tegen de staat en tegen de vreedzaamheid en onafhankelijkheid van de republiek. De vermagerde en vermoeid ogende Mann, gekleed in een grijs gevangenispak met blauwe strepen op de rug, wordt tijdens het proces vanaf de wand aangestaard door het portret van Obiang Ngueme, de sinds 1979 autoritair regerende leider die hij dus niet wist af te zetten. Mann heeft 32 jaar celstraf tegen zich horen eisen.

Mann erkent betrokkenheid bij het plot maar ontkent het brein van de operatie te zijn geweest. Zijn rol beperkte zich naar eigen zeggen tot het afzetten – desnoods vermoorden – van Obiang Ngueme, om ruimte te maken voor Moto, die leeft in Madrid. Mann zou ‘slechts’ eenmalig 15 miljoen dollar krijgen. Uit een boek van de Britse journalist Adam Roberts over de mislukte staatsgreep, The Wonga Coup, rijst echter het beeld van Mann als iemand die samen met zijn medehuurlingen doelbewust en zelfstandig uit was op zo groot mogelijke en zo lang mogelijk durende inkomsten uit de olieverkoop zodra Moto president was. ‘Wonga’ is Brits Bargoens voor geld – véél geld.

Mann zal hopen dat hij bij een veroordeling zijn straf mag uitzitten in Groot-Brittannië. Naar verluidt is president Obiang Ngueme hiertoe bereid om de betrekkingen met het Westen te verbeteren.

De mislukte staatsgreep vertoont opmerkelijke paralellen met de roman die de wereld van westerse huurlingen tijdens Afrikaanse (onafhankelijkheids)oorlogen vereeuwigde, The dogs of war van Frederick Forsyth. De bestseller uit 1974 beschrijft hoe een groepje huurlingen in opdracht van een Brits mijnbouwbedrijf een staatsgreep pleegt in Zangaro, een miniscuul, grondstofrijk landje in de oksel van West-Afrika.

Aangenomen wordt dat Equatoriaal-Guinee model stond voor Zangaro. Documenten die in 2005 opdoken in de Britse National Archives doen sterk vermoeden dat Forsyth persoonlijk betrokken was bij een wérkelijke couppoging in Equatoriaal-Guinee, in 1973. De (mislukte) poging zou gediend hebben als inspiratie voor The dogs of war. Dertig jaar na de verschijning lijken Mann en zijn medestanders het boek dus te hebben gebruikt als handleiding, met één groot verschil: in The dogs of war wordt de president wél verwijderd.

Maar ook het mislukte plan van Mann bevat intriges die zo in een roman passen. De helikopters waarmee de huurlingen hun aanval wilden uitvoeren, werden gefinancierd door Mark Thatcher, de enige zoon van Margaret Thatcher. Sir Mark beweert dat het geld bestemd was voor de aanschaf van vliegende ambulances om arme Afrikanen mee te helpen. Maar in 2005 bekende hij tegenover een Zuid-Afrikaanse rechter schuld, in ruil voor voorwaardelijke celstraf.

De zaak tegen Mann en consorten markeert de afnemende rol van (westerse) huurlingen in Afrika. Waren zij van de jaren zestig tot negentig actief van Biafra en Benin tot Congo en Angola, met de afname van de conflicten op het continent krimpt ook hun natuurlijke habitat. Zuid-Afrika, decennia hofleverancier van huurlingen, voerde in 2006 een wet door die activiteiten van Zuid-Afrikaanse, private militaire bedrijfjes in andere Afrikaanse landen aan banden legt. De huurlingen raakten aangewezen op conflicten in Irak en Afghanistan. Katalysator van de wetgeving was de arrestatie in 2004 van Simon Mann en zijn zeventig dogs of war.