Vergezichten

Geef ik de bal aan Kees Fens of aan Rinus Michels? Aan de hand van die vraag legde de legendarische sportjournalist Nico Scheepmaker ooit uit hoe hij pendelde tussen sport en literatuur. Het moeten in de jaren dertig mooie partijtjes zijn geweest in de Amsterdamse Chasséstraat in wat nu De Baarsjes heet.

De zaterdag overleden criticus Kees Fens schreef in zijn laatste boek Het geluk van de brug onder meer over de jonge Rinus Michels: „Een wat zwijgzame jongen, herinner ik mij, maar met een zekere superioriteit. Wij beschouwden hem als meer dan een straatvoetballer, al speelden wij, met de flexibiliteit van alle posities, ook die van de keeper, op het kerkplein het totaalvoetbal dat hem later groot zou maken.”

Weinig schrijvers konden zo natuurlijk – enthousiast, maar niet geëxalteerd – schrijven op het snijvlak van sport en letteren. In hetzelfde boekje schreef Fens over het Amsterdams van Michels: „Elk woord gaf hij een ademstoot mee. Wat een woord leek uit te rekken. ‘Strafschop’, je hoorde er de aanloop in, het schieten en het scoren. Als ik Michels hoorde, hoorde ik op de achtergrond de jonge Marsman, Herman van den Bergh, Van Ostaijen soms.”

Paul van Ostaijen komt ook impliciet aan de orde in een stuk dat Fens vier jaar geleden schreef toen Van Basten zich presenteerde als bondscoach en ‘dominant en aanvallend voetbal’ beloofde – een belofte die hij in de laatste dagen voor Fens’ dood gestand deed. Fens schreef op 5 augustus 2004: „Marco groet ’s morgens de dingen. Er werd daar in Zeist een nieuw voetbal geschapen, licht lyrisch, fraai opgebouwd, met indrukwekkende vergezichten: hoe werd de structuur van achteren naar voren vormgegeven! Dit was het allermooiste: zijn rust. Alleen wie in de toekomst geloven, zijn zo rustig.”

Arjen Fortuin