Toen de wereld nog zonnig zou worden

Een halve eeuw geleden vierde de wereld euforisch het vooruitgangsdenken. Dat gebeurde op de Expo van Brussel. Het Haags Filmhuis wijdt er een fraai programma aan.

Bas Blokker

ROTTERDAM, Hoe lang geleden lijkt het dat optimisme de hoofdstemming in de Westerse wereld was. Afgezien van de euforie rond 1989, toen de afbrokkeling van het communistisch blok leidde tot overspannen verwachtingen van het ‘einde van de geschiedenis’, moeten we een halve eeuw terug gaan om het zo vrolijk te zien. Dat was in 1958, het jaar van de Expo in Brussel. Deze week, vijftig jaar na dato, opent in het Filmhuis Den Haag een programma dat gewijd is aan die fameuze Wereldtentoonstelling, met films, foto’s en een expositie.

Er zijn speelfilms in Den Haag te zien, zoals Congorama en Mon Oncle. De connectie tussen Congorama (2007) van Philippe Falardeau en de expo zijn tweeledig: de hoofdpersoon is geboren tijdens de expo van ’58, en een groot deel van de absurdistische film is verbonden met de expo van ’67 in Montreal. Het verband tussen Mon oncle (1958) van Jacques Tati is minder prozaïsch dan het feit dat de film uit hetzelfde jaar stamt als de wereldtentoonstelling.

Mon oncle is een fijnzinnig, maar haarscherp commentaar op het technocratisch optimisme dat de Westerse wereld in die jaren beheerste. Tati’s personage Mr. Hulot gaat op bezoek bij zijn zuster en haar gezin, die in een volautomatisch huis wonen, met een denkende garagedeur, zelfregulerende fonteinen en een onbreekbare vaas. Een prachtig idee van het Filmhuis om die speelfilm op te nemen in het programma. Verder draait Het geluk komt morgen, een Vlaams gelegenheidsproduct van Jef Bruynincks tijdens Exporama. Nooit gezien, nooit van gehoord. De samenvatting in het programmaboekje (‘Vlaamse komiek, drogist, wonderpil, Expo, maffia’) doet het ergste vermoeden, maar suf lachen is ook een onderdeel van de pret van Exporama.

Maya van de Leemput maakte voor de gelegenheid anno 2008 Het verleden volgens de toekomst, een reeks interviews met tijdgenoten van de Expo en jongeren van nu over de toenmalige toekomstverwachtingen. Het klinkt een beetje abstract en bedacht, maar het is toch een fascinerende reeks getuigenissen van mensen die terugblikken op hun eigen geesteswereld van een halve eeuw geleden. Het was het tijdperk van de opgestroopte mouwen en de frisgepoetste tanden. Alle foto’s en archieffilmopnames stralen datzelfde gevoel uit; het onverwoestbare idee dat de wereld alleen maar zonniger zou worden. Dat alle huisvrouwen gelukkig zouden wezen in een volautomatische keuken en hun mannen zich opmaakten voor hun eerste reis naar de maan. Een model van de Spoetnik die een jaar tevoren in een baan om de aarde had gecirkeld, was met afstand het meest bekeken object op de expo. Of je moet het Atomium een object noemen, het gebouw dat voor de Expo werd ontworpen door André Waterkeyn. De negen aluminium bollen verbeelden de kristalstructuur van ijzer.

Op vrijwel alle journaalbeelden van toen staat het Atomium op de achtergrond. Het roemruchte bezoek van filmster Jayne Mansfield eindigt met het moment dat zij haar boezem aandrukt tegen het staal van een van de trappen van het Atomium, waarbij ze wulps haar been optilt. De beroemde hostessen van de Wereldtentoonstelling zijn even helemaal nergens meer te zien.

Exporama t/m 2 juli in Haags Filmhuis Den Haag.