Het orkest van de middelmaat

Op conservatoria heerst een zesjescultuur, schrijft nrc.next in het commentaar.

Voor orkestmusici is het nog erger: die halen misschien met moeite een vijfje.

Het orkest van de middelmaat. Illustratie Merlijn Draisme Draisma, Merlijn

Voor een vacature van fluitsolist bij het Limburgs Symfonie Orkest hebben wij vier keer een auditie moeten uitschrijven. Dat resulteerde in viermaal honderd sollicitaties. Bijna geen van de Nederlandse sollicitanten lukte het om met succes door de ronde van orkestpartijen te komen. En dat waren veelal studenten die hun studie aan het conservatorium met het cijfer 9 of hoger – soms zelfs met een onderscheiding – hadden afgerond. De constatering dat er op Nederlandse conservatoria „een zesjescultuur” heerst, eind vorige maand in nrc.next, kan ik dus onderschrijven.

Voor een groot aantal vakgebieden komen er wel degelijk goede musici van de opleiding. De jonge solisten van nu bewijzen dat. Ook de nieuwe generaties Jazz, Lichte en Wereldmuziek musici mogen er zijn. Maar het gaat fout bij het opleiden voor het vak orkestmusicus.

Bij een conservatorium dacht je vroeger uitsluitend aan zeer getalenteerde musici die geschoold werden voor een beroep in de klassieke muziekpraktijk. Daar kwamen de solisten, pedagogen en orkestmusici vandaan die het vak leerden van een docent met bewezen kwaliteiten, veelal op de grote podia. Er was ruimschoots aandacht in het curriculum voor het geambieerde vakgebied.

Er was bovendien ruimte voor een gedegen studie orkestrepertoire. En het was ondenkbaar dat mensen die niet in een orkest speelden dit vak aan een conservatorium onderwezen. De orkestdocenten namen hun studenten vroeger vaak mee naar hun eigen orkest om als remplaçant te spelen. Op die wijze werd hun bagage nog eens extra aangevuld. De conservatoria beschikten over orkestklassen die vaak meermaals per week het orkestrepertoire behandelden.

Geleidelijk aan zijn de conservatoria de klassen gaan vervangen door prestigieuze orkestprojecten, waarbij kosten nog moeite worden gespaard om topdirigenten in te huren. Deze projecten zijn vaak meer gericht op de glorie van het instituut dan op het aanleren van het orkestrepertoire bij de studenten. En stageregelingen met orkesten zijn er niet, of komen maar moeizaam van de grond. De conservatoria moeten namelijk efficiënter omgaan met hun middelen. Daarvoor is onder andere de studieduur al met 20 procent ingekort.

Met de ervaring van de afgelopen elf jaar als orkestdirecteur en voorzitter van de selectiecommissies durf ik te stellen dat studenten van de Nederlandse conservatoria op het onderdeel orkestspel onvoldoende scoren en het veelal afleggen tegen hun buitenlandse collega’s, die veel beter voorbereid auditie komen doen.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen: bij de toporkesten zijn er de laatste tijd een aantal vacatures ingenomen door voortreffelijke Nederlandse musici. Dat is deels ook getalsmatig te verklaren, het aantal studenten trompet bijvoorbeeld is in veertig jaar simpelweg vertienvoudigd. En er gloort ook wel enige hoop. Inmiddels zijn enkele conservatoria en orkesten, naar voorbeeld van het omringende buitenland, bezig plannen te ontwikkelen voor postacademische opleidingen of zijn orkestacademies gestart.

De resultaten daarvan zullen we moeten afwachten. Maar tot die tijd zal het helaas voor de gemiddelde student van een Nederlands conservatorium een harde dobber blijven om de concurrentie met zijn buitenlandse collega aan te gaan. Een zesjescultuur bij de Nederlandse conservatoria? Voor het vak orkestspel moet dat cijfer helaas zelfs naar beneden worden bijgesteld.

John Floore is directeur van het Limburgs Symfonie Orkest en oud-directeur van het Rotterdams Conservatorium. Daarnaast was hij solotrompettist voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest.