Extreem dure olie kan economie ontwrichten

Terwijl de olieproductie nauwelijks stijgt, blijft de vraag groeien, vooral in opkomende economieën. Extreme prijzen zijn het gevolg. Deel 1 van een driedelige serie.

„Als we geen rijst eten, zuipen we diesel”, grijnst Wang Yanchao, eigenaar en chauffeur van een blauwe truck met lange oplegger. Hij heeft net ruim honderd liter diesel getankt op het gigantische bedrijfsterrein van Sino Truck, een van de vijf grootste vrachtwagenfabrikanten ter wereld. Wang maakt met zijn vrachtwagen deel uit van een konvooi van acht trucks met opleggers die fonkelnieuwe, rode bedrijfstrucks gaan bezorgen. Vanuit Jinan in de provincie Shangdong moet hij naar het duizend kilometer zuidelijker gelegen Shanghai rijden, en naar Guangzhou, een rit van 2.300 kilometer.

Vanuit het restaurant waar Wang en zijn bijrijder, neef Nuo, nog wat eten voor de nachtelijke rit zuidwaarts, is zichtbaar waardoor de Chinese olieconsumptie zo hard stijgt, en dat ook zal blijven doen. De ene na de andere oplegger met nieuwe trucks in alle maten en soorten draait, zwaar kreunend in wolken van stof en dieseldampen, het bedrijfsterrein af. In heel China verschijnen elk kwartaal 600.000 nieuwe vrachtwagens op de wegen. En allemaal hebben ze brandstof nodig.

Terwijl de olieprijzen deze week naar een nieuw record van bijna 140 dollar per vat stegen, begint de wereld zich te roeren. Vrachtwagenchauffeurs in Spanje, Groot-Brittannië en Nederland blokkeren wegen of voeren anderszins actie. De Franse president Nicolas Sarkozy dringt er bij de EU-leden op aan gezamenlijk de belasting op brandstof te verlagen. In Amerika willen politici de torenhoge winsten van oliemaatschappijen afromen. Ontwikkelingslanden die de hoge brandstofkosten niet kunnen opbrengen, protesteren tegen hun toenemende schulden.

Door de dure olie stijgen niet alleen de kosten van transport en van de vele producten die op olie zijn gebaseerd (kunststoffen, kunstmest, medicijnen).

Die kostenstijgingen leiden tot inflatie, die op haar beurt weer kan leiden tot hogere looneisen. Dat is waar ECB-president Jean-Claude Trichet steeds voor waarschuwt: het gevaarlijke haasje-over van prijzen en lonen. Dat zou de economische groei afremmen, tot stagflatie leiden. De dure olie kan vroeg of laat een ontwrichtende werking hebben op de wereldeconomie.

Aanstaande zondag komen olieproducerende en -consumerende landen in een spoedbijeenkomst in olieland Saoedi-Arabië bijeen om de extreem hoge olieprijzen te bespreken.

Dat de olieprijzen zo sterk stijgen, komt simpelweg door het uit elkaar lopen van vraag en aanbod. Anders gezegd: de vraag is de afgelopen tien jaar met name in China hard gestegen, en de productie heeft dat mondiaal niet kunnen bijbenen. Sterker: het vermogen om in tijden van nood de productie snel op te voeren is zienderogen afgenomen.

Vervolg Olie: pagina 18

Aan de krapte op oliemarkt komt voorlopig geen eind

Olie Extreem dure olie maakt gevaar van loon- en prijsspiraal levensgroot

Twintig jaar geleden kon de OPEC, Saoedi-Arabië voorop, haar productie makkelijk opvoeren als de wereld daar om vroeg. De reservecapaciteit van de OPEC bedroeg toen 10 miljoen vaten olie per dag, 15 procent van de toenmalige wereldproductie. Inmiddels is de reservecapaciteit geslonken tot circa 2 miljoen vaten per dag. „Op een dagelijkse wereldproductie van 86 miljoen vaten is dat erg weinig”, zegt Eduardo Lopez, de belangrijkste analist van het IEA, het Internationale Energie Agentschap in Parijs.

Gevolg van de ontstane krapte is dat elke verstoring, ja zelfs alleen al de dreiging daarvan, een scherpe prijsreactie teweegbrengt. Verdachte ontwikkelingen in Iran, dreigende orkanen in de Golf van Mexico, problemen in Nigeria. Hup, daar gaat de prijs weer omhoog, vaak aangemoedigd door speculatie. Voorlopig zien deskundigen aan de krapte geen einde komen. Zakenbank Goldman Sachs verwacht dat de markt nog krapper wordt en het Russische energieconcern Gazprom voorspelt een olieprijs van 250 dollar per vat.

Vijftien jaar geleden verbuikte de wereld 68 miljoen vaten olie per dag (een vat is 159 liter). Nu zijn dat er 86 miljoen. Deze spectaculaire toename komt voor driekwart op naam van China, het Midden-Oosten en Amerika, zegt analist Lopez van IEA. China is de fabriek van de wereld geworden. Het land trekt enorme hoeveelheden grondstoffen naar zich toe. Ook olie. Het moet de dorst van het snel toenemend aantal raffinaderijen, petrochemische installaties, kunstmestfabrieken, trucks, vliegtuigen en personenauto’s lessen. Daar komt bij dat China onlangs zwaar getroffen is door sneeuwstormen en aardbevingen. Elektriciteitscentrales die vooral op kolen draaien, zijn uitgevallen. Er is massaal overgestapt op dieselgeneratoren, wat de olieconsumptie verder heeft opgevoerd.

Door de explosieve economische groei van China zijn er in betrekkelijk korte tijd tientallen miljoenen mensen door de inkomensgrens van 5.000 dollar per jaar gebroken. Dat is de grens waarbij ze zich meer luxe kunnen veroorloven: een auto, een koelkast, een westers eetpatroon. „Dat zo veel mensen dit omslagpunt bereiken, heeft de energievraag in China versneld. Het heeft de wereld verrast”, zegt Ivo Bozon, hoofd van de energiedivisie van consultantbureau McKinsey. Vroeger groeide in China het bruto binnenlands product sneller dan de vraag naar energie, bevestigt Bassam Fattouh van het Oxford Institute for Energy Studies. „Sinds 2001 is het juist omgekeerd.”

Dan is er het Midden-Oosten, de olierijkste regio van de wereld. In Saoedi-Arabië is aan de oostkust de industriestad Jubail uit de grond gestampt, in feite een complex van petrochemische fabrieken. Door de instroom van miljarden extra petrodollars expandeert de economie in de hele regio. De bevolking groeit hard, in Saoedi Arabië met meer dan 25 procent in nog geen vier jaar. Tieners bereiken in grote aantallen de leeftijd waarop ze auto mogen rijden. De autoverkoop groeit er jaarlijks met dubbele cijfers.

Ten slotte Amerika, waar niet alleen het autobezit, maar ook het aantal verreden kilometers is toegenomen. Vijftien jaar geleden reed een auto gemiddeld 10.800 kilometer per jaar. In 2005 was dat 12.500 kilometer. Ook het vliegverkeer is snel gegroeid. In Europa is hetzelfde gebeurd, maar zijn door wetgeving zuiniger auto’s op de markt gebracht.

De prijs van benzine aan de Amerikaanse pomp brak onlangs door de magische grens van 4 dollar per gallon, aanzienlijk lager dan in Europa, wat komt doordat men in Amerika vrijwel geen belasting op benzine betaalt. Amerikanen ruilen hun SUV’s nu massaal in voor zuinigere modellen. Ook het aantal verreden kilometers daalt. De hypotheekcrisis speelt hierbij een rol. Die heeft honderdduizenden Amerikanen in financiële problemen gebracht. De olieconsumptie in de VS groeit sinds 2005 amper meer, en begint de laatste maanden zelfs af te nemen.

Maar in China en het Midden-Oosten gaat de groei onverminderd door. In China komen er elk kwartaal 2 miljoen nieuwe personenauto’s bij. Er is niks dat erop wijst dat de trend keert. In het land zijn nu duizend commerciële vliegtuigen in de lucht. Over vijftien jaar zijn dat er naar schatting vier keer zo veel.

„Wat we nu op de oliemarkt zien gebeuren is een volkomen nieuw fenomeen”, zegt Fattouh. Normaal gesproken leidt een hoge olieprijs tot inflatie, en via renteverhoging uiteindelijk tot een recessie, zoals begin jaren tachtig in de wereld gebeurde. Door de afkoeling van de wereldeconomie zakt vervolgens de vraag naar olie in, en daalt de prijs weer. Zo stond ten tijde van de Aziëcrisis in de jaren negentig de olieprijs op 10 dollar. Gewoonlijk voert de OPEC haar productie op voordat een recessie kan toeslaan. Maar dat is nu allemaal niet gebeurd, zegt Fattouh. De OPEC heeft haar productie maar heel beperkt opgevoerd, opdat de prijs niet helemaal door het plafond zou gaan. De reservecapaciteit is niet toegenomen en blijft gering. Toch leiden de torenhoge olieprijzen niet tot een mondiale recessie.

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) acht de kans daarop dit jaar ook klein. Wel neemt de groei van de wereldeconomie iets af door de kredietcrisis. Maar de wereldgroei blijft met 3,7 procent desalniettemin redelijk. Maar anderen delen het optimisme van het IMF niet. De Amerikaanse centrale bank (‘Fed’) en ook het Centre for Global Energy Studies in Londen, schatten de kans op een wereldwijde recessie veel hoger.

Volgens Lopez van het IEA doet zich nog een nieuw fenomeen voor. Opkomende economieën als China lijken niet te worden aangestoken door kredietcrisis. „Het is voor het eerst dat we deze ontkoppeling zien”, zegt hij.

China schermt zijn markt van de dure olie af door subsidies. Van de literprijs die vrachtwagenchauffeur Wang op het bedrijfsterrein van Sino Truck betaalt, kunnen zijn collega’s in Europa alleen maar dromen. Vandaag kost een liter diesel in China 5,28 yuan, omgerekend 49 cent, een liter benzine is met 57 cent iets duurder. Zouden de wereldmarktprijzen in China worden doorberekend, dan verdrievoudigen de prijzen aan de pomp, aldus het Chinese Energie Onderzoekscentrum. Het zou de groei van het goederenvervoer en de energie-intensieve industrie aantasten. En als Chinese boeren voor een liter diesel dezelfde prijs zouden moeten betalen als de boeren, vissers en vrachtwagenchauffeurs in Europa, exploderen de voedselprijzen. En dat zou in China nieuwe sociale onrust teweegbrengen.

Inflatiebestrijding heeft absolute prioriteit, zei de Chinese premier, Wen Jiabao, in maart van dit jaar tijdens het Nationale Volkscongres. De Chinese overheid kan zich de subsidies voorlopig probleemloos permitteren, gezien het begrotingsoverschot van 175 miljard euro.

Andere opkomende economieën zitten krapper bij kas. India, Maleisië, Thailand en Indonesië hebben daarom onlangs besloten die brandstofsubsidies wel te verlagen. Maar het gebeurt slechts mondjesmaat, zegt Lopez van het IEA. In India zijn de brandstofprijzen met 10 procent verhoogd. „Dat kan de opkomende middenklasse makkelijk absorberen.” Volgens Bozon van McKinsey staan de machthebbers in deze landen voor een groot dilemma. Als ze de subsidies niet verlagen, lopen de overheidsschulden uit de hand. Doen ze het te drastisch dan dreigt sociale onrust. En erger, het eind van hun regime.

Wat kan de olieprijzen structureel omlaag brengen? En daarmee het gevaar van loon- en prijsinflatie bezweren en de wereld voor stagflatie, of erger, een economische crisis behoeden? Op de korte termijn is er maar één oplossing, zo stelt het Centre for Global Energy Studies in zijn jongste olierapport. De OPEC moet haar olieproductie snel verhogen. De organisatie van dertien olie-exporterende landen houdt zelf al jaren vol dat ze genoeg doet. „Wij hebben de sterke overtuiging dat ze dat niet doen”, zegt Mohammed-Ali Zainy van het Londense instituut. Ook Bozon van McKinsey vraagt zich af waarom de OPEC haar productie niet verhoogt. „Ze verdienen gigantisch veel aan de olie”, zegt hij. Bovendien doen de landen in het Midden-Oosten niks om zuiniger met energie om te gaan. „In 2020 stoot de regio meer CO2 uit dan Europa. Het is bijna immoreel wat ze doen.”

In het Chinese Jinan heeft vrachtwagenchauffeur Wang andere zorgen. Verder naar het zuiden moet hij rekenen op steeds langere wachttijden bij de benzinestations, vertelt hij. „Ik heb vorige week twaalf uur gewacht bij een benzinestation in Guangdong. Normaal moet je een uur of twee, drie wachten voor je aan de beurt bent, nu een hele dag”, legt hij kuchend van het vele roken uit.

Twee dames in superkorte rokjes vragen of zij mee kunnen rijden naar Shanghai. Wang stuurt ze grommend weg. „Neef Nuo is net getrouwd en ik heb zijn vader beloofd goed op hem te letten.”

Voor meer over de olieprijsstijging en de gevolgen zie: nrc.nl/olie