Diepe ervaringen zijn geen exclusief eigendom van religie

Zaterdag schreef Ger Groot dat godsdienst een unieke eigenschap heeft: alleen religie biedt houvast aan het individu. Dat gaat veel te ver, vindt Hendrik Spiering. En de diepe woordloze ervaringen die de basis vormen van religie, kunnen ook anders begrepen worden.

Religie biedt de mens geen kennis, maar ervaring, schrijft Ger Groot. Het is een individuele ervaring van geborgenheid, die tot stand komt op „ogenblikken waarop [een mens] zich boven het eigen leven uitgetild weet”. En die ervaring is „een onloochenbare realiteit” die de basis vormt van het godsbegrip van moderne gelovigen, aldus Groot.

Ik geef hem daarin onmiddellijk gelijk. Een groot deel van ons leven speelt zich af in een woordloos ervaren van onszelf en van de wereld om ons heen, een intens subjectieve werkelijkheid. Gelukkig maar! En precies in die ervaring beleven we meestal ook ons diepste gevoel van realiteit en verbondenheid met de wereld – als we ons tenminste veilig voelen.

Wie in dat fundamentele kenmerk van het menselijke leven een onzegbare religieuze waarheid en de aanwezigheid van God wil vermoeden, zoals de meeste gelovigen doen, is van harte welkom. Prima, waar zou je Hem anders moeten zoeken?

Maar wie in die ervaringen een drang tot leven wil zien, een drang die ons verbindt met de rest van de natuur, heeft evenzeer recht van spreken. Dat is ook ‘waar’, lijkt me. En je kunt er ook gewoon ‘niks’ in zien. Ook goed. Dat Ongrijpbare Leven vormt ons Bestaan en de interpretatie van die woordloze ervaring is voor iedereen vrij. Het ligt als een diepe en non-verbale oceaan onder onze talige debatten, onze ruzies en onze harde conclusies.

Maar Groot gaat verder dan het aanbrengen van deze scheiding tussen het woordloze leven en de praatjes die wij mensen daarover zo gemakkelijk verkopen. Hij zondert één specifiek praatje uit en geeft het speciale status: de religie. Want volgens Groot is godsdienst beter in staat om betekenis aan die diepe realiteit te geven dan kunst ooit kan geven – en al helemaal meer dan wetenschap dat kan. De opmerkelijke afwaardering van kunst laat ik hier even zitten. (Hoewel, juist poëzie en muziek kunnen toch als geen ander contact met het woordloze leggen?) De krachtige mise-en-scène van de religie is nodig, betoogt Groot, „wil de reële ervaring niet alsnog vervluchtigen in zelfbedrog”.

Maar welke betekenis biedt religie dan wel en wetenschap juist niet? Hoe voorkomt de godsdienst zelfbedrog?

Wetenschap biedt slechts algemene wetten van de objectieve werkelijkheid, schrijft Groot en ze heeft daarvoor de menselijke betekenis steeds resoluter buiten haar gezichtsveld moeten bannen.

Ja, als dat waar was zou religie makkelijk winnen! Maar een paar voorbeelden volstaan om dit dr. Strangelove-achtige beeld van wetenschap te weerleggen. Zo heeft de bioloog Frans de Waal aangetoond dat een aantal basiselementen van ons morele gevoel aangeboren kenmerken zijn van mensapen en soms ook van lagere apen. Dat is geen koude kennis, maar verbindt ons menselijk functioneren direct aan onze natuurlijke achtergrond. Het geeft betekenis: het maakt ons mensen deel van een groter geheel. Dat zo verheerlijkte woordloze ervaren, zouden andere zoogdieren dat dan misschien ook hebben? Die kennis verandert onherroepelijk ons innerlijk bewustzijn.

En zo heeft de psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi aangetoond dat een mens het best functioneert en het gelukkigst is als zijn uitdagingen net iets groter zijn dan zijn vaardigheden. Te veel uitdaging geeft angst, te weinig geeft verveling. Ogenschijnlijk simpel, maar bewustzijn van dat mechanisme kan diepe betekenis aan een leven geven, omdat het een beter begrip biedt van de eigen strevingen. De theorie van ‘flow’, zoals Csikszentmihalyi dat optimale functioneren noemt, raakt ook direct aan de woordloze ervaring. Want tijdens flow staat het zelfbewustzijn doorgaans op een laag pitje, hetgeen juist achteraf een diep gevoel van realiteit kan opwekken.

Het zijn maar een paar voorbeelden. Ik had ook iets over het oneindige heelal kunnen zeggen, dat gek genoeg ook iets heel gezelligs kan hebben. En kennis van biologische processen vernietigt ook niet noodzakelijkerwijs de subjectieve liefde, het kan er juist een dimensie aan toevoegen. En evenzeer als misschien religie dat kan, kan wetenschappelijke kennis voorkomen dat wij een slaaf van de eigen opborrelende emoties worden.

En dan gaat dit allemaal nog maar over wetenschappelijke kennis, niet over het proces van nieuwsgierigheid, twijfel en doortastendheid dat die wetenschappelijke kennis creëert (en meestal later vervangt door iets beters).

Wat stelt religie hier tegenover? Die akelige algemeenheid van zonde en deugd misschien, waarin veel religies het dagelijks leven willen indelen? Iedereen met kennis van religieus leven zal toegeven dat daarin veel goeds gebeurt en dat in religies ook veel praktische geestelijke kennis van eeuwen her wordt bewaard. Maar wie zou met Ger Groot durven beweren dat in religie een persoon nooit verpletterd wordt en alleen maar boven zichzelf wordt uitgetild? Ook Groot zelf waarschuwt dat de voorstelling van „de religieuze ervaring” als ‘God’ niet te letterlijk moet worden genomen. Terecht, laten we die diepe ervaring toch vooral zichzelf laten blijven. Maar hoe die waarschuwing ooit te rijmen is met Groots exclusieve garantie dat alleen religie ons behoedt voor zelfbedrog, is mij een raadsel.

De woordloze ervaring van het leven is geen exclusief eigendom van de wetenschap, maar evenmin ligt er het geheime domein van godsdienst. Religie is maar een van de vele verhalen, een van de vele behangetjes waarmee een mens zijn woordloos innerlijk kan bekleden.

Hendrik Spiering is redacteur van NRC Handelsblad.