De vrouwtjesvogel bouwt het nest

Een fragment uit ‘De importbruid’: „Degene die kaynanams gezag durft te ondermijnen moet nog geboren worden.”

In het hoofdstuk ‘Schoonfamilie en sleur’ vertelt Rüya over de dagen thuis, in Tilburg. Het is begin jaren negentig. Rüya is 15 en net getrouwd met Kaan, haar neef, die een paar jaar ouder is. In het Tilburgse huis wonen Rüya en Kaan met haar schoonvader en schoonmoeder (die ze ‘kaynanam’ noemt, ‘mijn schoonmoeder’) Kaans oudere broer Ilker en diens vrouw Emel en Jasmijn, de jongste dochter. Hieronder een fragment:

Op haar vaste plek op de bank zit kaynanam urenlang zwijgend witte kleedjes met bloemmotieven te haken. Een huis dat niet is versierd met kantwerk, is volgens haar bloot als een vrouw zonder een degelijke onderbroek. Het kant mag ook uit de machines gerold zijn, daarvan knipt ze verschillende maten vierkanten of rechthoeken voor op de televisie, de eettafel, in en op de vitrinekast. Maar er gaat niets boven het ouderwetse handwerk. In gedachten verzonken lijkt ze het niet te merken wanneer iemand binnenkomt of de kamer verlaat. Soms kijkt ze naar de klok waarna ze met de achterkant van het ijzeren staafje in haar oren roert. De gele smurrie veegt ze in de punt van haar hoofddoek. Als ze moe is van het roerloos zitten, legt ze haar voeten op de betegelde eikenhouten salontafel, waardoor haar zelfgebreide wollen sokken van onder haar lange flanellen rok tevoorschijn komen. Een voor een kraakt ze haar vingers, ze steekt haar duim in haar rok en laat haar vingers op haar dikke buik rusten. [...]

Een Turks gezegde luidt: de vrouwtjesvogel bouwt het nest. De vrouw maakt het thuis gezellig en zorgt zo dat het huwelijk standhoudt. Het is de lijfspreuk van kaynanam. Ze is de draagmuur van het huis. Zonder haar strenge toezicht zou het gezin binnen een week uit elkaar vallen, weet Kaan.

Degene die kaynanams gezag durft te ondermijnen moet nog geboren worden. Lachrimpels heeft ze bijna niet, wel twee diepe groeven tussen haar wenkbrauwen. Als ze naar me kijkt, trilt de grond onder mijn voeten. Ik ben niet de enige die bang is voor haar stalen blik. Voor alles wordt toestemming gevraagd aan ‘ons ma’. Ze beheert de WAO-uitkering van haar man en de inkomens van de anderen. Elke laatste vrijdagavond van de maand brengt Emel een langwerpige witte enveloppe mee met haar urenbriefje en salaris van het naaiatelier. Ze krijgt vijfentwintig gulden zakgeld, net als Kaan en zijn broer. Ik ben voor mijn sigaretten afhankelijk van Kaan. [...] Zakgeld krijg ik zelden van Kaan. Hij gebruikt zijn bankpas alleen als zijn moeder hem naar de bankautomaat stuurt, omdat ze niet weet hoe ze moet pinnen. Netjes levert hij elk bonnetje in. De bankafschriften neemt ze nauwlettend door.

Bijna tienduizend gulden beheert ze per maand, waarvoor ze aan niemand verantwoording hoeft af te leggen. Desondanks is er altijd gebrek aan geld. [...] Vanavond hebben we geen bezoek van dorpsgenoten uit Turkije, die het hier gezelliger vinden dan in een café, en die dan ook regelmatig langskomen. De dagen dat we ‘op ons eigen’ zijn kun je op één hand tellen. Kaynanam wil niet dat Kaan en zijn broer Ilker naar Turkse cafés gaan en dat ze op hun vader gaan lijken. Daarom spelen ze elke avond rummikub aan de eettafel.

Terwijl ik met een dienblad rondga en oma in de hal in de richting van Mekka knielt voor het avondgebed, heeft Kaan zijn plaats aan tafel tegenover zijn vader al ingenomen. „Wat een slechte beurt! Hier kan ik niets mee”, jammert hij theatraal en slaat een rummikubsteen op tafel. Heel soms mag ik de plaats innemen van iemand die net naar de wc is gegaan en is blijven roken. „Kom”, roept Ilker dan plagend, „we hebben je beloofd dat we met je zouden spelen. Zeg niet dat we ons niet aan ons woord houden.” Ik laat het me geen twee keer zeggen.

Emel werkt vanavond over in het atelier. Kaynanam zit op haar plek. Haar haaknaald gaat geroutineerd heen en weer, en af en toe werpt ze een blik op een oude romantische film op de Turkse zender TRT. Jasmijn ligt languit op de bank voor de tv, een stukje rug schaamteloos bloot. Ik sta op uit respect wanneer mijn schoonvader de kamer binnenkomt. „Ga toch zitten, mijn kind”, zegt hij. Jasmijn verroert geen vin.

Mijn schoonvader neemt in zijn nette pak met stropdas plaats aan de rummikubtafel. Rummikub is het enige wat deze casanova’s avonds thuis kan houden. Na het ontbijt zit hij in smetteloos donkere pakken, compleet met gesteven boord, manchetknopen en perfect bijpassende stropdas, de hele dag in de andere hoek van de bank zwijgend naar TRT te kijken. Klaar om elk moment te ontsnappen aan zijn saaie gezinsleven. Misschien probeert hij voor zichzelf te verbergen dat hij niet de rijke zakenman is geworden die hij graag zou willen zijn. Het enige waarop hij grip heeft, zijn zijn kleren. Zo waant hij zich machtig en belangrijk. Niemand mag aan zijn broeken en overhemden komen. Hij strijkt ze zelf, en perst keurige vouwen in de pantalons. Een zwarte aktetas – waarin voorheen goedkoop bestek zat – met daarin zijn paspoort en wat ‘belangrijke’ papieren, sjouwt hij overal mee naartoe. In de schuur staat hij stiekem met een zakmes of een stukje glas uren te schrappen aan zijn kunstgebit, in een eeuwig gevecht. Van zijn tandarts mag hij er niet aankomen, maar dat ding wil maar niet passen zoals hij het wil. Als de ene kant goed zit, krijgt hij pijn aan de andere kant.

De importbruid, Hülya Cigdem. Uitgeverij De Arbeiderspers, 332 pagina’s, 16,95 euro