Dat mag niet van de ChristenUnie en ‘de natuur’

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: homoseksualiteit en de natuurwetdoctrine.

De ChristenUnie heeft, zeker na haar dogmatische stellingname in het recente embryodebat, de naam een principiële partij te zijn. Maar afgelopen week toonde de partij zich toch van een minder principiële en rechtlijnige kant. Op een partijcongres in Zwolle werd de vraag of homoseksuelen bestuursfuncties voor de ChristenUnie mogen bekleden beantwoord met ‘ja en nee’.

Alle moties om homo’s per definitie uit dergelijke functies te weren werden weliswaar verworpen, maar de deur werd evenmin wagenwijd opengezet. Besloten is om een gedragscode op te stellen waarmee selectiecommissies per afdeling kunnen bepalen of homo’s voor de partij mogen uitkomen. Of homoseksualiteit binnen de ChristenUnie nu wel of niet wordt geaccepteerd, is dus nog altijd niet duidelijk – lokale bestuurders moeten dat zelf maar beslissen.

Het is interessant om te zien hoe de ChristenUnie – die zich in de meeste kwesties simpelweg beroept op ‘het woord van God’ – zo worstelt met dit vraagstuk. Een reden daarvoor is natuurlijk dat de Bijbel volstrekt niet eenduidig is over de morele status van homoseksualiteit; er bestaat binnen de verschillende christelijke denominaties dan ook weinig consensus over. Veelzeggend is ook dat veel leden van de ChristenUnie gemakshalve het standpunt van emeritus hoogleraar ethiek Jochem Douma hebben overgenomen dat homo zíjn mag, maar homo dóén niet. Een volstrekt ambigu standpunt natuurlijk: het hebben van homoseksuele gevoelens is wél toegestaan, maar het praktiseren ervan niet. Dat werpt de vraag op wát iemand dan precies ‘homo’ maakt.

De geestelijke spagaat binnen de ChristenUnie is echter niet alleen te wijten aan de onduidelijkheden in de Schrift. Een andere oorzaak schuilt in de al veel eerder ingezette ontwikkeling in het denken over homoseksualiteit. Het argument waarmee homoseksualiteit eeuwenlang is verworpen, heeft zich namelijk op een gegeven moment tegen zichzelf gekeerd – en dat wreekt zich nu.

Voor de volledigheid is het goed om hier op te merken dat in het prechristelijke tijdperk, ten tijde van de Oude Grieken, het onderscheid tussen ‘heteroseksueel’ en ‘homoseksueel’ nog niet eens werd gemaakt. Het geslacht van degene waartoe men seksueel was aangetrokken, werd destijds door de meeste mensen niet als moreel relevant beschouwd. Belangrijker was of men tijdens de geslachtsgemeenschap een ‘actieve’ of ‘passieve’ rol had. Of, preciezer geformuleerd: of men penetreerde of gepenetreerd werd. Zowel vrouwen als jonge jongens – die seksuele diensten verleenden aan hun leermeesters – hadden een passieve rol tijdens de daad, en werden om die reden als ‘inferieur’ beschouwd. Maar homoseksualiteit werd op zichzelf dus niet verworpen.

Toch is aan de filosofie van de Griekse filosoof Plato (427-347 v. Chr.) een manier van denken ontsproten die uiteindelijk het fundament is geworden voor het morele taboe op homoseksualiteit – een manier van denken die bekend staat als de natuurwettheorie. De Griekse Sofisten – vóór Plato zeer invloedrijk – beschouwden de wereld nog als veranderlijk en door menselijke conventies bepaald, zoals nu ook de meeste postmodernisten de ‘werkelijkheid’ als een kwestie van interpretatie zien. Maar Plato dacht daar anders over: onderliggend aan de realiteit lag volgens hem namelijk een „natuurlijke orde” die bepaalde hoe het universum functioneerde – en zou moeten functioneren. Zodoende kreeg de term ‘natuurlijk’ voor het eerst ook een morele connotatie: wat moest worden verstaan onder ‘goed’ en ‘kwaad’ was volgens Plato geen kwestie van traditie en gebruik, maar van natuurlijke wetmatigheden. Hoe mensen zich hoorden te gedragen, viel dus ook af te leiden uit de ‘natuur der dingen’.

Nu zijn ook Plato’s opvattingen over homoseks ambigu en aan veel discussie onderhevig, maar in zijn beroemde werk De wetten noemt de wijsgeer seks tussen mensen van hetzelfde geslacht wel expliciet „onnatuurlijk”. En naarmate de natuurwetdoctrine aan invloed won – Plato’s leerling Aristoteles (384-322 v. Chr.) droeg daar sterk aan bij – werd ook de gedachte dat het menselijke gedrag in overeenstemming moest zijn ‘met de natuur’ steeds gezaghebbender. Uiteindelijk was het de Italiaanse filosoof en theoloog Thomas van Aquino (1225-1274) die de natuurwettheorie incorporeerde in de christelijke ethiek. Van Aquino stelde dat geslachtsgemeenschap „van nature” voor reproductie was bedoeld en dat de „natuurlijke functie” van het mannelijke geslachtsdeel was om vaginale seks te bedrijven. Deze opvatting is later in grote delen van het zeer christelijke Westen gemeengoed geworden.

En tot op de dag van vandaag berust de afkeuring van homoseksualiteit goeddeels op precies die gedachte: dat seks met iemand van hetzelfde geslacht ‘tegennatuurlijk’ zou zijn. Binnen de christelijke gemeenschap beroept men zich dan ook vaak – mede vanwege het ontbreken van een expliciet verbod – op die passages in de Bijbel waarin homoseks ‘onnatuurlijk’ wordt genoemd. Maar ook door niet-christenen wordt het argument nog altijd naar voren gebracht. Michael Levin bijvoorbeeld, hoogleraar ethiek aan de City University in New York, stelt in zijn essay Why Homosexuality is Abnormal (1984) dat homoseks niet zozeer moreel verwerpelijk of zondig is, maar wel een „verkeerd gebruik van de genitaliën”. Want, zo schrijft Levin, „de natuur heeft bepaald dat de functie van de penis is om zaad in de vagina te brengen”. Het geslachtsdeel op een andere manier gebruiken is volgens Levin dan ook „abnormaal” en zou moeten worden ontmoedigd.

Maar juist dit ‘natuurargument’ tegen homoseksualiteit is de afgelopen decennia door de opkomst van de moderne wetenschappen tegen zichzelf gekeerd. In de biologie en genetica zijn inmiddels talloze aanwijzingen gevonden ter ondersteuning van de hypothese dat seksuele voorkeur van mensen – ook die voor hetzelfde geslacht – (deels) genetisch en/of hormonaal bepaald is. Uit grootschalig onderzoek van de American Psychological Association is ook gebleken dat mensen nauwelijks tot geen gevoel van ‘keuze’ ervaren in hun seksuele oriëntatie. Bovendien zijn er diverse diersoorten ontdekt die homoseks hebben. Dit alles ondersteunt de opvatting dat homoseksualiteit dus even ‘natuurlijk’ is als heteroseksualiteit. De natuurwettheorie gebiedt tegenstanders van homoseks nu dus het tegenovergestelde te concluderen: dat seks met mensen van hetzelfde geslacht op grond van ‘natuurlijkheid’ dus evenzeer geaccepteerd (of zelfs toegejuicht) zou moeten worden als seks tussen mannen en vrouwen.

Zeggen dat ‘homo zijn mag, maar homo doen niet’ is een kunstgreep waarmee tegenstanders van homoseks proberen onder deze omdraaiing van het argument uit te komen. Op die manier kan men wel probleemloos beweren dat homofilie een natuurlijk gegeven is, maar homo’s tóch blijven discrimineren. Het is op z’n minst hypocriet te noemen dat homofilie wel ‘natuurlijk’ maar niet toelaatbaar wordt geacht, terwijl tegelijkertijd de neiging tot procreatie maatgevend wordt gevonden omdat het ‘natuurlijk’ is.

Het argument van ethicus Jos Douma dat ook pedofilie ‘aangeboren’ zou kunnen zijn, maar daarmee nog niet acceptabel is, klinkt wellicht overtuigend, maar is niettemin een drogreden. De reden dat pedoseksualiteit moreel verwerpelijk wordt gevonden, schuilt in het feit dat minderjarigen nog niet in staat worden geacht om zelfstandig te kunnen kiezen voor het hebben van seks. Dat bezwaar ontbreekt volledig als het gaat om homoseks tussen volwassenen.

Discriminatie van homoseksuelen kent dus nauwelijks nog acceptabele gronden. Blijft de vraag waarom je als homoseksueel in een bestuursfunctie zou willen zitten van een partij die jouw geaardheid en levenswijze verwerpelijk vindt. ‘Tegennatuurlijk’ zou ik zo’n politieke voorkeur niet onmiddellijk willen noemen, maar vanzelfsprekend is het toch evenmin.