Britse inflatie leidt tot onrust over koopkracht

De Britse vakbonden hebben gisteren gedreigd met nieuwe loonsonderhandelingen nu blijkt dat de inflatie dit jaar beduidend hoger uitvalt dan tot dusverre was aangenomen. Dit kan uitmonden in stakingen, onder meer in de overheidssector, omdat premier Gordon Brown steeds heeft gezegd dat hij daar geen loonsverhogingen van meer dan twee procent wil toestaan.

Uit cijfers van de Bank of England, de centrale bank, bleek gisteren dat de inflatie in mei 3,3 procent bedroeg. De gouverneur, Mervyn King, voorspelde bovendien dat het cijfer in de tweede helft van dit jaar zou stijgen tot boven de 4 procent, ruim het dubbele van de 2 procent die de regering eerder in het vooruitzicht had gesteld. Overigens ligt de Britse inflatie iets achter op die van de eurozone. Daar was de prijsstijging vorige maand gemiddeld 3,7 procent.

King riep de werknemers uitdrukkelijk op om hun teruglopende koopkracht niet direct te willen compenseren met hogere looneisen. Dat leek aan dovemansoren gericht. Sommige vakbonden verklaarden gisteren dat ze zelfs onlangs afgesloten loonakkoorden willen openbreken om alsnog betere voorwaarden te bedingen.

Dave Prentis, de leider van de vakvereniging Unison, kondigde bijvoorbeeld aan zijn leden te zullen consulteren over acties in de gezondheidssector. Nog maar twee weken geleden ging Unison akkoord met een loonsverhoging van 8 procent over drie jaar voor 500.000 werknemers van de Nationale Gezondheidsdienst (NHS). Volgens Unison garandeert een clausule in dat akkoord dat werknemers beschermd worden tegen een toename in de inflatie.

Premier Brown en zijn regering hebben tot dusverre geprobeerd de loonstijging niet boven de 2 procent uit te laten gaan. Tot woede van onder meer politieagenten, die begin dit jaar genoegen moesten nemen met een verhoging van, volgens hun berekeningen, 1,9 procent per jaar.

Om de sociale onrust enigszins te dempen kondigde de regering gisteren tevens aan dat ministerssalarissen dit jaar zouden worden bevroren.