Verlies

Op een bewolkte maandagmiddag staan we voor zijn graf.

Morgen, 17 juni 2008, zal hij precies vijfendertig jaar dood zijn. We staan hier omdat het onvoorstelbare in zijn geval eigenlijk altijd onvoorstelbaar is gebleven. Nog altijd praten we af en toe over hem, in onze herinnering leeft hij gewoon door als die vrolijke, vitale man van tweeëndertig die altijd vol grappen en verhalen zat. Sommige doden zijn nu eenmaal geliefder dan andere doden. Je zou bijna jaloers op hem worden: hij blijft jong, wij worden oud.

Paul was een iets oudere broer van mijn vrouw. De omstandigheden waaronder hij overleed, liggen sober vast in een krantenbericht dat de familie altijd bewaard heeft. „De 32-jarige P.S. uit Mierlo-Hout is gistermorgen vroeg om het leven gekomen toen hij met zijn wagen frontaal op een tegenligger botste. Vijf personen raakten hierbij gewond, van wie er enkelen met een shock in het ziekenhuis zijn opgenomen.”

Die anderen zijn er allemaal bovenop gekomen, ook zijn vrouw Riet die naast hem zat en ernstig gewond raakte. Hun drie kleine kinderen logeerden bij familie in afwachting van de veelbelovende volgende dag: vaderdag.

Veiligheidsgordels en hoofdsteunen bestonden er in die tijd niet, of waren in ieder geval nog niet verplicht. Omstreeks middernacht was Paul met zijn auto op een smalle brug over het Eindhovens Kanaal iets te ver naar links uitgeweken – evenals zijn tegenligger. De brug liep daar omhoog, er was geen goed overzicht. Paul zag de auto op zich afkomen en zei: „Wat moet ik nou?”

Zijn laatste woorden voor hij zijn nek brak.

We zetten een bak met margrietjes op zijn graf, die we net bij een bloemist in het centrum hebben gekocht.

„Is het een cadeautje?” had hij gevraagd.

„Nee, het is voor een graf.”

„Dan hoef ik het niet in te pakken.”

Mierlo-Hout heeft een kleine, keurige begraafplaats midden in het dorp. Twee reusachtige beuken uit de Brabantse prehistorie bewaken de ingang. Als je over het kerkhof uitkijkt, zie je op deze dagen boven de achtermuur de Oranjevlaggetjes voor het Nederlands elftal uitkomen. Paul, bedenk ik nu pas, heeft zelfs ‘1974’, het jaar dat ‘we’ bijna wereldkampioen werden, net niet mogen meemaken.

Het kerkhof van Mierlo-Hout ligt in de schaduw van de fraaie, neogotische St. Luciakerk. We kunnen er niet in, en dat is maar beter ook, want die begrafenisdienst uit 1973 hoef ik niet opnieuw te beleven. Riet was er ook bij, in een rolstoel, tegen het advies van haar artsen in. Haar vader en zus hadden schriftelijk moeten beloven dat ze binnen een uur in het ziekenhuis terug zou zijn. Een uur voor zoveel verdriet, dat is te weinig.

Het verlies was onvatbaar.

Enkele maanden later schreef Riet ons: „Annemieke vraagt de hele dag door waarom dit en dat en waarom blijft papa zo lang bij onze lieve heer, je weet wel, hè, en zo meer. Maar ik begrijp het zelf ook niet waarom dit me allemaal gebeurd is.”

We lopen van de begraafplaats naar de school waar een nichtje van ons haar drie kinderen komt afhalen. De speelplaats staat vol met pratende moeders en enkele vaders. Kijk, daar zijn ze al, drie mooie kinderen, vrolijk, vitaal, bruisend van leven.