Slecht bestuur veel te goed beloond

Martin Sullivan is de laatste van een inmiddels redelijk illuster groepje bazen uit de financiële sector dat zijn biezen heeft mogen pakken. Het lot van de topman van American International Group (AIG) werd bezegeld door een verlies van meer dan 30 miljard dollar (19 miljard euro) op de kredietmarkten en een slecht onderbouwde aandelenuitgifte van 20 miljard dollar. Maar Sullivan kan troost putten uit de gouden handdruk die hij meekrijgt ter waarde van misschien wel 50 miljoen dollar.

Eventuele extra troost kan gevonden worden in het gezelschap waarin hij nu is komen te verkeren. Sullivan maakt deel uit van een klein, maar select clubje van tot aftreden aangezette financiële topmanagers: Stan O’Neal van Merrill Lynch, Marcel Ospel van UBS en Chuck Prince van Citigroup, om de meest prominente te noemen. Als de raad van commissarissen van Royal Bank of Scotland iets assertiever was geweest, had Sir Fred Goodwin zich vrijwel zeker bij hen kunnen aansluiten.

Al deze gedwongen vertrekkers zijn zeer vermogende mannen, ondanks een paar symbolische salarisverlagingen aan het einde van hun termijn. Het is makkelijk om verontwaardigd te zijn over zulke hoge beloningen voor falen. Die zijn zowel moeilijk te rechtvaardigen als contraproductief. Als de bazen er niet zeker van zouden zijn geweest dat ze ook in het ergste geval nog rijk zouden worden en zelfs superrijk bij optimale prestaties, zouden ze misschien minder risico’s hebben genomen.

Toch zijn er wel excuses. Sullivan en Prince waren ingewijden bij al in problemen verkerende instellingen en moesten opboksen tegen zware kritiek – in het geval van Sullivan zelfs rechtszaken – van invloedrijke voorgangers. Deze topmannen deden daarnaast niet veel anders dan gehoor geven aan de wensen van hun aandeelhouders. Beleggers vroegen om snelle groei en niet om zorgvuldige risicoafwegingen. Dat kortetermijndenken is hen duur komen te staan.

De gedwongen afbouw van schuldposities, die ongeveer een jaar geleden is begonnen, heeft op veel geleend geld gebaseerde strategieën in diskrediet gebracht. De koersverandering heeft veel raden van commissarissen op het verkeerde been gezet. Bob Willumstad, de president-commissaris van AIG sinds eind 2006, had zich nog in mei vierkant achter Sullivan opgesteld.

Financiële topmanagers werden goed betaald om problemen te zien aankomen en op te lossen, en om de aandeelhouders ervan te overtuigen dat ze de juiste koers hadden gekozen. Sullivan en zijn medeleden van de Club van de Gouden Handdruk hebben dat allemaal niet gedaan. Daarvoor zouden ze zich moeten schamen.

Maar hun opvolgers staan nu voor een wezenlijk andere taak: het terugdringen van de schulden. Willumstad zal nu het roer van AIG in handen nemen. Als hij het beter doet dan Sullivan, heeft hij dat mede te danken aan zijn gevoel voor timing.

Edward Hadas