Kees Fens en de literaire kritiek

Adriaan Jaeggi was er nog gewoon en Han Voskuil kon nog zwaaien van achter zijn raam toen ik Kees Fens voor de laatste keer thuis bezocht. Het door de bomen aan de gracht gefilterde voorjaarslicht viel op zijn jaloersmakende boekerij. Lezen ging nog, schrijven ook, maar praten, geestdriftig als vroeger, vol kwinkslagen en in een onvervalste Amsterdamse tongval, kostte hem als gevolg van de longkwaal die hem uiteindelijk velde, steeds meer moeite.

Bij het afscheid kreeg ik een handgeschreven lijstje mee met wat hij de tien beste Nederlandse kritieken vond. Die moest ik nog maar eens nalezen en voor mijn studenten kopiëren. Eigenlijk was dat wel voldoende lesmateriaal voor aankomende critici. Busken Huets filippica tegen Jacob Cats (deze godvrezende moneymaker) stond bovenaan, verder recensies van Kloos, Ter Braak, Du Perron, Gomperts en Jessurun D’Oliveira.

Hedendaagse critici ontbraken. Van de tegenwoordige literaire kritiek had Fens geen hoge pet op. „Dat ligt niet alleen aan de recensenten hoor”, zei hij, „het is vooral de schuld van de literatuur.”

Volgens Fens heeft de kwaliteit en de aard van de kritiek alles te maken met de kwaliteit en de aard van de literatuur. „Toen we impressionistische literatuur hadden, kregen we impressionistische kritieken. Nu zie je in de literatuur – in de hele cultuur trouwens – iets momenteels. Morgen is het weer weg. De kritiek reageert daar adequaat op: steeds vaker zijn boekbesprekingen niet meer dan luchtige stukjes over het boek van de week.”

Daar zit veel in, maar – met al mijn bewondering mocht ik hem dat graag inwrijven – er sprak ook een zekere vooringenomenheid uit. Fens vond de hedendaagse Nederlandse literatuur middelmatig. En omdat een recensent kapot gaat aan het bespreken van boeken die hij net zo goed niet had kunnen lezen, was hij opgehouden met reguliere recensies. Maar als ik dan vroeg waaróm hij een bepaald boek middelmatig vond, kwam de man van Merlyn, van wie ik ooit leerde dat alleen de tekst er toe doet, met buitenliteraire argumenten aanzetten. „Aan Voskuil heb ik een hekel, omdat ik gezien heb wat zijn boeken hebben aangericht bij Jaap Oversteegen. Vooral zijn vrouw heeft er verschrikkelijk onder geleden. Dat mag je niet doen.”

Hoewel Fens het zelf niet meer kon opbrengen ‘reguliere’ recensies te schrijven, twijfelde hij niet aan de noodzaak daarvan. Hij vond dat mensen die graag literatuur lezen in hun krant, zo degelijk mogelijk, op het niveau van het boek, dienen te worden ingelicht. „Alles wat ons wordt aangeboden moet geschift en in elk geval naar ideeën geordend worden.”

Austerlitz van W.G. Sebald was een boek waarvan hij helemaal kapot was. „Dat is mijn ideaal van literatuur”, schalde hij in mijn telefoon toen hij het voor zijn leesclub gelezen had. „Van een criticus die zo’n roman bespreekt, verlang ik dat hij laat zien dat hier een wereld gemaakt wordt en niet alleen maar een boek geschreven.” Maar ik moest hem goed begrijpen: aan critici die de krant misbruiken om te beschrijven wat een boek hun persoonlijk doet, had hij een hekel. „Dan krijg je bekentenissenproza waarin vaak het woord ‘schrijnend’ valt.”

Om uit te kunnen stijgen boven het dagelijkse gewoel in de Nederlandse literatuur begon Fens alweer bijna dertig jaar geleden met zijn beroemd geworden ‘Maandagstukken’ in de Volkskrant. Daarin behandelde hij boeken die nooit ter recensie werden aangeboden en die hij zelf kocht tijdens zijn wekelijkse speurtochten in boekwinkels. Niemand begreep waarom hij er in 1998 plotseling mee moest stoppen, ook Fens zelf niet. „De hoofdredactie zei dat ik te veel mijn eigen hobby’s bedreef. Ook vonden ze mijn stukken te elitair.”

Juist deze stukken – die volgens Fens zelf niets uitstaande hadden met boekrecensies – hebben zijn plaats in de literaire kritiek in Nederland bepaald. Het is niet overdreven deze plaats te vergelijken met die van een gotische kathedraal, uitrijzend boven het stedelijke landschap. Dat klopt ook met zijn voorliefde voor en kennis van de katholieke traditie, de kerkvaders, de heiligenlevens, de Latijnse missalen, het monnikenwerk in de middeleeuwse scriptoria, de Gregoriaanse gezangen. Heerlijk om over die roomse rijkdom te lezen. Vergelijk dat eens met het gekweel dat indertijd door cabaretier Wim Sonneveld, eveneens katholiek opgevoed, goedmoedig belachelijk is gemaakt in de persoon van Frater Venantius: „Zech maor ja teechen ’t leven”. Niets daarvan bij Fens, die alleen de pracht in ere hield. Harry Mulisch vergist zich dan ook door Kees Fens te typeren als „een serieuze maar erg katholieke intellectueel”. Je kunt ook zeggen dat de Domkerk in Utrecht wel een fraai maar erg katholiek gebouw is. Dat slaat nergens op.

En elitair, zoals zijn eigen Volkskrant de ‘Maandagstukken’ vond? Ik denk dat er een principiële denkfout in deze kwalificatie schuilt. Het uitstallen van zulke uitgebreide kennis met smaak en kritische zin, zulke belezenheid en gulheid in het delen van dit alles, is een onmisbaar bestanddeel van niet eens alleen de literaire kritiek, maar van de journalistiek als zodanig, die méér moet bieden dan consumentenvoorlichting en amusement.

Fens verzette zich tegen „de entertainmentindustrie” die ook de serieuze pers bedreigt, maar tegelijkertijd vond hij dat een criticus zijn publiek ook een beetje literair moet onderhouden. Dat lukte hem voortreffelijk zonder ooit te vervallen in de luxestijl van iemand die op een Engels landgoed leeft en in zijn vrije tijd de literatuur erbij doet. Van hem moesten krantenstukken stinken naar inkt en zweet.

De man die geëerd werd om zijn diepgravende tekstanalyses in Merlyn, die het zonder academische opleiding tot hoogleraar bracht en de P.C. Hooftprijs kreeg voor essayistiek wilde het liefst beschouwd worden als journalist. Een van de laatste dingen die hij tegen mij zei, ging daarover. „Mijn voorbeeld is Menno ter Braak. Die was natuurlijk veel intellectueler dan ik, maar zijn geleerde essays lees ik nooit meer. Wél zijn dagbladkronieken. Daarin toonde hij zich een rasechte journalist en daar hou ik van. Ik kan heel snel werken, meteen reageren en zou een hele goede journalist hebben kunnen zijn.”

Hebben kunnen zijn? Kees Fens wás het.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/etty