Het knuffelmodel scoort

Een kabinet dat saamhorigheid voorstaat, is goed voor een voetbalsucces.

Kijk maar naar de geschiedenis.

Het Nederlands elftal na de wedstrijd tegen Italië. Foto AFP Dutch team celebrates after scoring during their Euro 2008 Championships Group C football match the Netherlands vs. Italy on June 9, 2008 at the stade de Suisse in Bern. AFP PHOTO / FABRICE COFFRINI -- MOBILE SERVICES OUT -- AFP

Is er een complot gaande? Of is alles een misverstand? De analyse die Matthijs van Nieuwkerk zaterdagavond ten beste gaf, klonk in ieder geval zeer verontrustend.

Van Nieuwkerk was zaterdag te gast bij Studio Sportzomer. Logisch. Van Nieuwkerk beschikt over encyclopedische voetbalkennis. Presentator Jack van Gelder vroeg hem welke popsong het meest toepasselijk was voor het Nederlands elftal van nu. Ook logisch. Van Nieuwkerk is presentator van het muziekprogramma Top 2000 a gogo. Na een rondje nadenken – hij liet zijn beurt even passeren – onthulde Van Nieuwkerk de verlossende analogie: Oranje doet denken aan What’s going on van Marvin Gaye.

Ik heb er de hele nacht niet van kunnen slapen. Want waarover zingt Gaye in What’s going on, een lied dat in 1971 uitkwam? Over gruwelijke ruzies. Gaye, de domineeszoon en soulzanger die in 1984 door zijn eigen vader werd doodgeschoten, zingt onder meer:

Father, father / We don’t need to escalate / You see, war is not the answer / For only love can conquer hate / You know we’ve got to find a way / To bring some lovin’ here today. […]

Picket lines and picket signs / Don’t punish me with brutality / Talk to me / So you can see / What’s going on.

Conclusie. Er is bij Oranje herrie in de tent. Net als thuis bij Gaye wordt er in hotel Beau Rivage in Lausanne een generatieconflict uitgevochten dat alleen in de jaren zestig/zeventig zijn weerga kent.

Althans, als Van Nieuwkerk gelijk zou hebben. Maar dat heeft hij niet. Hoewel het pad van de historische analogie altijd glibberig is, heeft het nationale elftal van nu nagenoeg niets gemeen met de jaren zestig/zeventig. In What’s going on beschrijft Marvin Gaye juist veeleer het nationale elftal van ruim drie decennia geleden. Het „langharige werkschuw tuig”, waarvan dominee Gaye walgde, domineerde toen ook de voetbalvelden. Lange haren waren symbolen van non-conformisme, tegenspraak, individualisme en eigendunk. Want wie waren indertijd de lulletjes rozenwater? Nette keepers als Jan van Beveren uit Eindhoven. En wie de gevierde jongens? Een back als Ruud Krol, die nooit sokken droeg in de disco.

De coiffure van nu is daarentegen een uiting van conformisme. Dat is een doorbraak. Voor het eerst in de contemporaine geschiedenis van het vaderlandse voetbal speelt het conflictmodel geen doorslaggevende rol.

Het opzienbarendste slachtoffer van die ommekeer is Johan Cruijff. Werd hij afgelopen decennia geadoreerd, sinds dit voorjaar wordt hij tot een randfiguur gereduceerd. De televisierecensie vorige week dinsdag in de Volkskrant sprak boekdelen. Criticus Wim de Jong stelde daarin vast dat Cruijff „op het moment zo ongeveer de gekste act” is aan wiens „woordelijk uitgeschreven vooruitblik op Nederland-Italië inderdaad geen touw is vast te knopen”.

De vraag is niet waarom De Jong zich zo’n oordeel aanmatigt – Cruijff zette voor de wedstrijd helder uiteen dat Oranje op grond van de opstelling over links zou gaan aanvallen, hetgeen geschiedde – maar waarom Cruijff met verve, om niet te zeggen met nauwelijks verholen agressie, wordt weggebonjourd?

Dat gebeurt omdat de weerzin jegens hem een vorm van revanchisme is. Jarenlang zijn alle uitspattingen van Cruijff besproken, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Zelfs voormalig minister Pieter Winsemius was bevangen, getuige zijn in 2006 verschenen monografie Je gaat het pas zien als je het doorhebt. Cruijff en leiderschap. Dit orakel uit Betondorp, dat zijn leerling Van Basten eerder dit jaar ook al alleen liet bij Ajax, is nu van zijn voetstuk getuimeld. Altijd leuk.

Het revanchisme heeft ook een andere oorzaak. De geridiculiseerde ster is, tegen wil en dank, een representant van de jaren zestig en zeventig. Hij was een exponent van de naoorlogse generatie die lak had aan het oude gezag. Hij was representant van een nieuwe tijd waarin individualisme en materialisme hand in hand gingen, al werd het tegendeel beweerd. Nu eens sloeg Cruijff een scheidsrechter uit de DDR, dan weer ging hij in Milaan schoenen kopen als er moest worden getraind: maar altijd ging het hem om zelfontplooiing, plezier, succes én geld.

Die breukjaren uit de twintigste eeuw zijn met terugwerkende kracht schuldig bevonden aan nagenoeg al het kwaad dat afgelopen kwart eeuw in Nederland heeft kunnen woekeren. Nivellering, decadentie, verloedering, cultuurrelativisme, onfatsoen en wat niet al: het zou zonder uitzondering een gevolg zijn van de jaren zestig, van de studentenopstand in 1968 en de daarop volgende lange mars door de instellingen.

„Een van de meest verderfelijke aspecten van de culturele revolutie van 1968 en de jaren daarna was de geringschatting voor de prestatiemoraal”, sprak voormalig VVD-leider Frits Bolkestein nog in 2005 tijdens zijn oratie als professor ‘Intellectuele grondslagen van politieke ontwikkelingen’ in Leiden.

Volgens andere theoretici was het jaar 2002, toen Nederland zich niet plaatste voor het WK, een omgekeerd 1968, toen het Ajax van Cruijff nog aan zijn opmars moest beginnen. Het doel was in 2002 verschoven, naar culturele eenheid en integratie top down, maar de middelen waren vergelijkbaar: polarisatie als methode.

Met het ostentatieve afscheid van Cruijff zijn nu zo goed als alle verdorvenheden van deze vermaledijde jaren zestig bij de mestvaalt van de geschiedenis gezet. Diens verworpen zoon Van Basten is bezig te illustreren dat het bespotte poldermodel juist een conditio sine qua non is voor succes. De formule is simpel: gemeenschapszin is plezier is zelfontplooiing. Over geld spreekt niemand. Dat is er gewoon.

Ook in de historische statistieken zijn aanwijzingen te vinden dat het poldermodel succes geeft. De afgelopen 34 jaar heeft het Nederlands elftal op een WK of EK driemaal (1974, 1978 en 1988) de finale weten te bereiken. Vier keer (1976, 1992, 1996, 2002) wist het de halve finale te halen. Slechts één keer wist het nationale team de laatste fase ook winnend af te sluiten, namelijk in 1988 toen het EK met 2-0 werd gewonnen tegen het door Oekraïners gedomineerd team van de zieltogende Sovjet-Unie. Tien en veertien jaar eerder lukte dat op het WK niet, omdat Argentinië en Duitsland toen te sterk (1-3 en 1-2) bleken.

Toeval? Het is denkbaar. Hoe dan ook: wat was de dominante cultuur in 1974 en 1978? Die van de polarisatie. In 1974 was het kabinet-Den Uyl alweer een jaar bezig om de boel op stang te jagen en in 1978 was het kabinet-Van Agt net een half jaartje bezig de boel weer bij elkaar te houden. Langs de velden was de stemming in die jaren niet anders. Er waren conflicten over cultureel onaangepaste voetballers uit het zuiden, over de trainer en voetbalschoenen. Waarover werd geen ruzie gemaakt? En dat werd goed gevonden.

Conflicten konden ervoor zorgen dat „de groep op scherp” kwam. In de jaren negentig waren er vergelijkbare varianten die de sfeer bepaalden. Coach Guus Hiddink kreeg in 1996 te maken met de „kabel”, de vermeende samenzwering van de Surinaamse spelers, die het team leek te doorkruisen.

Alleen bij het EK in 1988 gebeurde er weinig tot niets. In den beginne stookte Cruijff de lang geblesseerde spits Van Basten op om niet mee te gaan zolang hij geen gegarandeerde basisplaats kreeg. Van Basten conformeerde zich toch aan bondscoach Rinus Michels en speelde vanaf de tweede wedstrijd de sterren van de hemel. Michels deed intussen zijn generaalsuniform uit en knuffelde zijn jongens. „Een goed stel”, aldus commentator Theo Reitsma. Dat stel won het EK omdat het individualisme en gemeenschapszin niet als tegenstelling zag maar als complementair, kortom, omdat het een stel uit de polder was.

De ploeg van 2008 gaat nog een stapje verder. Laconiek heeft Van Basten een gemeenschap geschapen, waarin notoire dwarsliggers zelf eieren voor hun geld kiezen. Clarence Seedorf en Mark van Bommel hebben zich eigener beweging teruggetrokken, ook nadat Ruud van Nistelrooy op zijn recalcitrante schreden was teruggekeerd. Resultaat? Van Nistelrooy is gelukkig. De voormalige geestverwanten zijn even in geen velden of wegen te bekennen.

De meegaande voetballers hebben zelfs inspraak gekregen. Een ouderwets woord. Maar Van Basten heeft naar ze geluisterd toen ze klaagden over de rigide toepassing van het sacrosancte 4-3-3 met vleugelspitsen. Ze mogen in de kleedkamer ook harde muziek draaien om zich op te peppen. En na de wedstrijd nemen ze hun kinderen in de armen, alsof ze willen laten zien dat alleen een gelukkige huisvader een goede voetballer is.

Minister André Rouvoet, die als twaalfjarige tijdens het WK in 1974 alleen op zaterdag mocht voetballen, vindt deze aanblik niet voor niets de fijnste. Hij is niet de enige. Het verdrukte kabinet-Balkenende heeft de politieke waarde van dit team net zo goed begrepen als het kabinet-Den Uyl in 1974. Toen mocht Oranje in de tuin van het Catshuis hossen, hoewel premier Den Uyl weinig van het spel begreep.

Nu heeft premier Balkenende toegang tot de kleedkamer, hoewel hij voorzitter Henk Kesler van de KNVB onbekommerd verwart met Georg Kessler, die tussen 1966 en 1970 bondscoach van Nederland was.

Wellicht is dat feest komende zaterdag of anders bij de halve finale donderdag daarop toch voortijdig voorbij. Maar het conflictmodel is passé. De terugkeer van de natie in de moederschoot van gemeenschappelijk overleg en compromis, aangevuld met de heimelijke brille van het team coaches, neemt niemand ons meer af.

Eén constante is al die jaren overigens wél in tact gebleven: de sluimerende hysterie die in Nederland altijd op de loer ligt. Zoals dertig jaar geleden het conflict als methode werd aanbeden, zo wordt nu het knuffelmodel omarmd.

Hubert Smeets is commentator van NRC.

Luister en kijk naar Marvin Gaye die ‘What’s going on’ zingt via nrcnext.nl/links

    • Hubert Smeets