Groene-kralenmode in prehistorie

Nooit waren kralen groen. Totdat de landbouw begon in het Midden-Oosten. Archeologen zien er vruchtbaarheidsamuletten in, geïnspireerd op het jonge groen.

Met het ontstaan van de landbouw, circa 11.000 jaar geleden, werden in het Midden-Oosten vrij plotseling groene kralen van steen populair. Voordien, in de jagers-verzamelaarstijd van de laatste IJstijd, overheersten kralen van schelpen, beenderen, tanden, gewei en ivoor. Kralen waren belangrijke sieraden en behoren tot de oudste kunst van de mensheid – tot 100.000 jaar oud. Dit blijkt uit een onderzoek dat twee Israëlische archeologen gisteren publiceerden in de Proceedings of the National Academy of Sciences (Early Edition online). Ze bekeken kralen en hangers uit verschillende opgravingen.

Pas in de laatste periode van de Natufiaancultuur in Israël, Syrië en Libanon, waarin voor het eerst dorpen ontstonden en al wilde granen werden verzameld (circa 14.000 - 11.000 jaar geleden), duiken groene kralen en hangers op. Die groene (blauw/groene, turquoise) mode breidt verder uit als er echte landbouwdorpen ontstaan en gedomesticeerd graan wordt verbouwd. Het waren kostbare kralen, de groene steensoorten zijn vrijwel nooit lokaal voorhanden. Sommige komen uit Saoedi-Arabië, 150 km verderop.

Waarom zoveel moeite? Waarom die groene mode? Volgens de archeologen Daniella E. Bar-Yosef Mayer en Naomi Porat is de groene kleur een nabootsing van het groen van jonge blaadjes, symbool voor ontkieming en vruchtbaarheid. De kralen en hangers werden gedragen als amuletten en geluksbrengers. Direct bewijs voor die betekenis hebben Bar-Yosef en Porat niet, maar ze kunnen het wel aannemelijk maken. Ten eerste is de kleur groen in de meeste bekende menselijke talen en culturen verbonden met groeizaamheid. Ook in het Nederlands is groen een afleiding van groeien. En verder is uit antropologisch onderzoek onder traditionele volkeren bekend dat kralen en hangers heel vaak als amuletten worden gebruikt, niet ‘zomaar’ als versiering. De Israëliërs noemen onder meer onderzoek onder Jordaanse boeren, die een direct verband leggen tussen de ‘kracht’ van kralen en de vruchtbaarheid van de vrouwen.

De overgang van een jagers-verzamelaar-bestaan naar een landbouwsamenleving was ingrijpend en leidde ongetwijfeld tot nieuwe symbolen. Dat blijkt ook uit andere nieuwe uitingen, zoals de vreemde dodencultus in het oude Turkse landbouwdorp Catal Hüyük (ca. 9.000 tot 7.000 jaar geleden), met onder meer tekeningen van gieren die hoofdloze mensen opjagen. De (overigens ook nog altijd slecht begrepen) oudere diersymboliek zoals op de rotstekeningen van Lascaux verdwijnt.

Door de grotere voedselproductie en de stabiele gemeenschappen konden geboortes in de landbouwtijd sneller op elkaar volgen, maar daardoor kwam ook kraamsterfte veel vaker voor. In sommige begraafplaatsen bij oude landbouwdorpen (zoals bij Ain Ghazal, ca 7.000 jaar geleden) liggen opvallend veel jonge vrouwen van 14 en 15 jaar – vermoedelijk gestorven in het kraambed. Voor jagers-verzamelaars zijn ‘groei’ en groene bladeren ook belangrijk, maar niet zo sterk als bij landbouwers die veel arbeid investeren in een paar veldjes.

Bar-Yosef en Porat zien ook aanwijzingen voor vruchtbaarheidssymboliek in het verschijnen van een nieuw soort (groene) hanger aan het begin van de landbouwtijd: de ovale hanger met twee gaatjes aan weerszijden, zoals de (beschadigde) hangers hiernaast, rechtsboven. Sommige waren zo bekrast dat ze lijken op kauri-schelpen, in veel culturen een bekend vruchtbaarheidssymbool.