De ‘tragedy of errors’ van vader en zoon Bush

Jacob Weisberg: The Bush Tragedy. Random House, 271 blz. € 21,– De Bush Tragedie verscheen in vertaling bij Balans, €18,– **** Op originele en speculatieve wijze zet Jacob Weisberg in The Bush Tragedy (Random House, €21,–) vader en zoon Bush tegen elkaar af, schrijft Menno de Galan. Zie pagina 6 Jacob Weisberg: The Bush Tragedy. Random House, 2008. 271 blz. € 21,– Vertaald door F. van Delft als: De Bush Tragedie. Een klassiek familiedrama van vader en zoon, broer en broer. Balans, 315 blz. €18,–

Jacob Weisberg: The Bush Tragedy. Random House, 271 blz. € 21,– De Bush Tragedie verscheen in vertaling bij Balans, €18,– ****

Journalist Jacob Weisberg gaat in zijn geslaagde, maar speculatieve boek The Bush Tragedy uit van de stelling dat de 43ste president van de Verenigde Staten in één essentieel opzicht verschilt van zijn directe voorgangers: hij had geen vastomlijnd wereldbeeld toen hij werd gekozen. Voor een beter begrip van Bush is daarom ‘onvermijdelijk’ de mensen in zijn omgeving te bestuderen.

Weisberg is niet de eerste die George Bush vergelijkt met en afzet tegen zijn vader. Hij is wel origineel in zijn methode: close reading van citaten van Bush, diens familie en medewerkers én enkele toneelstukken van Shakespeare. Shakespeare, aldus Weisberg, ‘nodigt uit om dieper te kijken en minder te oordelen’.

Onverwacht succes had George Bush toen hij besloot zich los te weken van zijn vader door zich met een alternatieve familie te omringen. Deze vond hij eerst in een dominee die hem op het rechte pad hielp en later in politieke adviseurs. Met deze adviseurs onderhield Bush een complexe relatie. Hij eiste dat zij hem als een krachtdadige leider respecteerden. Hij eiste ook dat zij zijn anti-intellectualisme voedden met hun eigen vooroordelen tegen de zogenoemde Oostkustelite. Verder gaf hij hun een ongeëvenaarde vrijheid in de verwezenlijking van hun eigen dromen. In twee messcherpe hoofdstukken analyseert Weisberg hoe adviseur en strateeg Karl Rove en vicepresident Dick Cheney met hun eigen pet projects aan de haal gingen.

Rove heerste over de binnenlandse politiek. Hij wilde voor de komende generatie een ‘permanente’ Republikeinse meerderheid creëren, bestaande uit zakenlieden en gelovigen. In 2002 en 2004 won hij de verkiezingen door de oorlog tegen het terrorisme schaamteloos te manipuleren voor Republikeinse doeleinden.

Cheney wilde vooral de macht van het presidentschap als instituut vergroten. De aartspessimistische vicepresident zag de terreuraanslagen van 9/11 als een levensbedreigende aanval op de VS. Alleen de president had volgens Cheney de daadkracht en de energie om nieuwe aanslagen te pareren. De oorlog in Irak vloeide volgens Weisberg voort uit Cheneys overtuiging dat Saddam Hoessein contacten had met een wereldwijd netwerk van terroristen en van plan was Amerika met biologische wapens van de kaart te vegen. De aanslagen met miltvuurpoeder in 2002 waren hiervan in diens optiek een voorproefje. Zonder deze aanslagen, schrijft Weisberg, ‘zou Bush waarschijnlijk geen inval hebben gepleegd in Irak’. Dit is een boude bewering, maar zij doet niets af aan de stelling van het boek: Rove en Cheney misbruikten de oorlog tegen het terrorisme voor hun eigen doeleinden. Ze kenden Bush’ achilleshiel: diens verzengende ambitie om als president van grote ideeën en daadkracht de geschiedenis in te gaan, het tegendeel van zijn vader.

Menno de Galan