De hemel is aan scherven gevallen

Almelo is met de schrik vrijgekomen, concludeerde Netwerk na de gijzeling van een wethouder en vier ambtenaren door een boze Turkse caféhouder, die geen vergunning kreeg. Of in de woorden van zijn zoon in het NOS Journaal: „Mijn vader beetje boos geworden.”

Nog meer goed nieuws boden de laatste journaaledities. Er is veel vraag van politiekorpsen naar de diensten van Renzo en z’n maatje Dino, twee honden die zijn getraind in het opsporen van geld. Ze ruiken verstopte bankbiljetten en slaan dan aan. Het probleem zou zijn, zo meldt de NOS, dat de panden van zwartgeldbezitters te groot zijn voor doorzoeking door menselijke beambten.

„De hemel is aan scherven naar beneden gevallen”, constateert Kees Fens in een nog veel grotere, geheel onttakelde ruimte. Hans Keller nam de literatuurcriticus en cultuurbeschouwer mee terug naar de kerk van zijn jeugd, de Onze Lieve Vrouwe van de Altijd Durende Bijstand in Amsterdam-West. Toen hij daar voor het eerst door religie en kunst werd aangeraakt, was God nog jong, zegt Fens. Nu is Hij in de versukkeling geraakt en hulpbehoevend geworden. Het ligt voor de hand te denken dat Fens’ schrijnende observatie ook een vorm van projectie is.

Twee dagen voor de sinds lang geplande uitzending van Kellers documentaire Kees Fens, erfgenaam van een lege hemel door Het uur van de wolf (VPRO) overleed de hoofdpersoon, 78 jaar oud. Je kunt die coïncidentie tragisch noemen of een gelukkig toeval. Zeker is dat dit televisieportret het nu moest opnemen tegen tal van beschouwingen en in memoriams in de dagbladen. De auteurs hebben er erg hun best op gedaan, want Fens, sinds veertig jaar werkzaam voor de Volkskrant, was zelf een grootmeester van de snel geschreven, alle aspecten van een afgesloten leven duidende necrologie.

Michaël Zeeman beschreef in de eigen krant hoe bewondering een criticus kan drijven en dat het ideaal van complete kennis en overzicht nog maar zelden op begrip van de lezer kan rekenen. Frits Abrahams wijdde gisteren een ontroerende column aan de sociaal-economische aspecten van Fens’ eeuwige positie als buitenstaander. Naast zulke prachtstukken kan een televisiefilm niet meer zijn dan een illustratie.

Die voldeed perfect in de context van de alledaagse brokstukken van de teloorgang van de Europese beschaving, van geldhonden en cafévergunningen. Keller stelde daar een verstilde contemplatie tegenover, met geen geringer thema dan de vergeefse verzoening van hemel en aarde, van de geest en de zinnen.

Maar Fens was geen verheven kwezel. Hij bezingt ook de flonkering van de zon in een fietsbel of het ontwaken van zijn literair bewustzijn door beschrijvende passages in het kinderboek Fulco de minstreel door C. Joh. Kieviet.

Mooi is ook dat Keller de reis maakt waar Fens zelf niet meer toe in staat is. Op een kaart wijst hij cruciale plaatsen aan: het licht door een rozet in de kathedraal van Chartres, de cisterciënzer abdij van Fontenay, de kerk in Avignon waar Petrarca zijn onbereikbare liefde Laura voor het eerst zag, op Goede Vrijdag om drie uur ’s middags.

De door spirituele muziek van Arvo Pärt begeleide beelden van Kellers reis in commissie scheren soms vervaarlijk langs de rand van de kalenderschoonheid van Ontdek je plekje. Maar ze werken, omdat ze laten zien hoe de verbeelding kan functioneren, zo ongeveer als de musicalfantasieën in Dennis Potters The Singing Detective, waarin een andere lijder aan een huidziekte pijn en immobiliteit door de herinnering aan schoonheid en perfectie overwint.

De documentaire loopt nog een risico. De door Fens en Keller gedeelde roomse jeugd, die zowel de belofte van ontsnapping als die van uiteindelijke desillusie in zich herbergde, nodigt uit tot valse nostalgie. Gelukkig komt het net niet zover. De teleurstelling geldt eerder het Europese beschavingsideaal, waar weinig markt meer voor is. En Fens, vermoedelijk de laatste katholieke intellectueel van Nederland, eindigt de film met de nadrukkelijk uitgesproken woorden: „Ik hoor eigenlijk niet graag ergens bij”.