Wat zijn we toch goed!

Ook taalkundig gezien is voetbal een interessante sport. Er valt van alles te vertellen over hoe voetballers, trainers en voetbalcommentatoren praten, maar daar is al veel over geschreven. Sterker nog, er zijn diverse boekjes waarin voetbaltaal is geanalyseerd en geïnventariseerd.

Wat mij de afgelopen twee wedstrijden vooral is opgevallen, is het taalgebruik van de fans en de kijkers. Ik zag de wedstrijd van afgelopen vrijdag tegen Frankrijk op een verjaardag. Wie zijn verjaardag viert op een dag dat het Nederlands elftal speelt, zorgt tegenwoordig standaard dat die wedstrijd te volgen is op een breedbeeldtelevisie of via een beamer. Dat er naar zo’n wedstrijd gekeken wordt is een etiquetteverandering. Velen van ons zijn opgevoed met het besef dat het buitengewoon onbeleefd is om de televisie aan te laten staan als je gasten hebt. Voor voetbal werd lang geen uitzondering gemaakt.

Ik ben in het verleden dan ook naar verschillende verjaardagsfeestjes geweest waar de buis ostentatief uit bleef staan, ook al hoorde je af en toe in de buurt gejuich opgaan vanwege een doelpunt. Er hing vaak een rare sfeer op zo’n feestje. Iedereen was zich ervan bewust dat je afweek van de massa. Bovendien waren het vaak slecht bezochte feestjes; de voetbalfans hadden afgehaakt.

Nu was het uitgesloten dat er niet gekeken zou worden. Het Nederlands elftal was immers op het oorlogspad en hier zou een nieuwe veldslag worden geleverd. Men was wel enigszins gespannen – de Hollandse nuchterheid dicteerde dat de ene monsterzege niet automatisch leidt tot een volgende, maar na de 2-0 kon het niet meer stuk en na de 4-1 was de stemming ronduit uitgelaten.

„Wat zijn we toch goed hè.” Ik hoorde het die avond een paar keer en ik heb het de afgelopen dagen nog verschillende keren gehoord. Dat WE zo goed zijn.

Ik heb een zoontje dat aardig kan voetballen, wat goed is voor je relativeringsvermogen. Lang laat je kinderen opzettelijk winnen – want dat zou goed zijn voor hun zelfvertrouwen. Maar al op zijn negende was dat een gepasseerd station: hij liep me er volledig uit. Ik kan dus met een gerust hart zeggen dat ik persoonlijk niet goed kan voetballen.

Mede daardoor klinkt het mij nogal vreemd in de oren dat WE zo goed kunnen voetballen. Ik snap natuurlijk wel dat je dit niet letterlijk moet nemen, maar dan nog. Het nationalistische gevoel dat voetbal losmaakt, blijft mij vreemd. Het is trouwens een genadeloos sentiment. Op het moment dat er gewonnen wordt, zijn WE erg goed. Maar op het moment dat er slecht gespeeld wordt, of verloren, dan bakken ZE er niks van.

Nu zijn het Onze Jongens, kinderen van het Nederlandse volk. Maar als ze slecht hadden gespeeld, dan waren het verwende, zwaar overbetaalde gasten geweest.

Maar goed, we zijn nu in een winning mood en daarmee daalt een collectief WE-gevoel op ons neer, in hoge mate aangewakkerd door de media. Eigenlijk zijn WE al kampioen, WE hoeven alleen nog maar even een paar wedstrijden te spelen. Even lijkt er geen verdeeldheid meer te bestaan tussen christenen en moslims of tussen blank en zwart, want eigenlijk zijn we allemaal oranje. Sommigen alleen van binnen, velen ook nog van buiten, met toeters, pruiken, vlaggen en wimpels. En dat allemaal slechts voor zolang als het duurt.

Ewoud Sanders