Spaanse les: potentiële donoren redden geen levens

Het donordebat richt zich te veel op het vergroten van het aantal potentiële donoren.

We kunnen beter effectiever met het aantal donororganen omspringen, zoals Spanje.

Spaanse les: potentiële donoren redden geen levens Illustratie Daisy Erades Erades, Daisy

Vorige week kreeg de discussie over orgaandonaties een nieuwe wending omdat minister Klink (Volksgezondheid, CDA) op voorhand het advies van de Coördinatiegroep Orgaandonatie afwees. De commissie wil een zogeheten ‘opt-out’-systeem, waarbij burgers automatisch donor worden tenzij ze aangeven dat niet te willen. De minister zei hier niets in te zien. De commissie reageerde beledigd en besloot het rapport niet uit te reiken.

Waar iedereen het wél over eens is, is dat de orgaandonatie een nijpend probleem vormt. Net als vele andere landen in Europa heeft Nederland een groot gebrek aan bruikbare organen. Afgelopen jaar stierven in Nederland 152 nierpatiënten terwijl ze op een wachtlijst stonden voor donatie. Dat is onaanvaardbaar, niet alleen ethisch maar ook maatschappelijk.

De maatschappelijke baten van extra orgaantransplantaties zijn werkelijk enorm: het bespaart majeure kosten op bijvoorbeeld nierdialyse, het verhoogt de kwaliteit van het leven van patiënten in sterke mate, en de kosten zijn relatief beperkt. Een stijging van het aantal orgaantransplantaties met 25 procent leidt tot een welvaartswinst die in de vele miljoenen euro’s loopt. Daarnaast zijn er aanzienlijke andere baten, zoals de verrijking van het sociale leven van de patiënten. Er zijn niet veel gebieden te bedenken waar de baten van verbeteringen zo groot zijn ten opzichte van de kosten.

Ondanks deze forse kansen blijft de schaarste van organen een hardnekkig probleem, ondermeer doordat de donordiscussie niet over de juiste thema’s gaat.

Allereerst is het een onzalig idee om betalingen in te voeren voor donors, zoals de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) eerder dit jaar voorstelde. Denk aan de ethische bezwaren die hiermee gepaard gaan, zoals de ongewenste motieven die bepaalde groepen mensen dan kunnen hebben om een nier af te staan. Bovendien zou het de motivatie ondergraven van de huidige donors die betalingen veelal banaal en beledigend vinden.

Ten tweede moet de discussie niet over ‘opt-out’ of ‘opt-in’ gaan. Ook in landen met een opt-out – waar burgers dus automatisch donor worden tenzij ze anders aangeven – is de familie meestal verantwoordelijk voor de keuze om wel of niet een orgaan te doneren. In landen met een opt-in zijn er weliswaar minder potentiële donoren, maar die hebben wel een bewuste keuze gemaakt. Dat maakt het de familie gemakkelijker om uiteindelijk een positieve beslissing te nemen. Kortom, wat is wijsheid? Er zijn landen met opt-out die goed scoren, zoals België, maar ook die heel slecht scoren, zoals Zweden.

Het grootste bezwaar tegen een discussie over opt-out of opt-in is dat zij draait om het verhogen van de hoeveelheid potentiële donoren. Beter is het om te trachten de kans te vergroten dat een potentiële donor daadwerkelijk een transplantatie oplevert.

Kijk naar het succesverhaal van Spanje. Daar zijn fenomenale resultaten geboekt waar Nederland veel van kan leren. Verrassend genoeg draait het Spaanse model niet primair om het mobiliseren van nieuwe, potentiële donors, maar om de logistieke en organisatorische kant van het systeem.

Zo heeft men in elk Spaans ziekenhuis een orgaancoördinator ingesteld. Er is dus één aanspreekpunt, wat de overzichtelijkheid vergroot. Bovendien kent Spanje een geolied kwaliteitssysteem gekenmerkt door interne en externe evaluatie. Daarnaast is het medische personeel goed getraind in communicatie met de familie van potentiële donoren. Een en ander zorgt ervoor dat Spanje een heel hoge effectiviteit heeft: potentiële donoren leiden veel vaker tot transplantatie dan elders in Europa. Sinds introductie van het systeem zijn de orgaandonaties gestegen van 14,3 organen per miljoen inwoners in 1989 naar 33,6 per miljoen in 1999.

Nederland, dat zich in de degradatiezone bevindt op het gebied van orgaandonaties in Europa, zou deze Spaanse les ter harte moeten nemen. Niet dat de les nieuw is: vele studies, ook die in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kwamen tot dezelfde bevindingen.

Overigens is op het toepassen van het Spaanse model nog wel het een en ander af te dingen. Zo heeft Spanje het ‘geluk’ dat er zoveel verkeersongevallen zijn (net als België). Dat is een tamelijk pervers gegeven, maar niettemin van groot belang omdat de meeste transplantaties van organen van verkeersslachtoffers komen. En natuurlijk is het zo dat een Spaans model alleen grote winst voor Nederland oplevert als er genoeg donoren zijn. Dus het werken aan de hoeveelheid donoren moet zeker onverminderd worden voortgezet.

Maar ook daar kan Nederland zich optrekken aan Spanje, dat expliciet gebruik maakt van de mogelijkheden van massamedia. Alle middelen dienen hier te worden ingezet, bijvoorbeeld door mensen verplicht te laten kiezen, of door donoren geregeld publiekelijk in het zonnetje te zetten, waardoor het maatschappelijke respect voor donoren toeneemt. De minister-president dient hier persoonlijk achter te gaan staan.

Hoe dan ook, laat de publieke en politieke discussie vooral niet ontaarden in een welles-nietesdiscussie over opt-out versus opt-in of over betalingen, want daarvoor is het maatschappelijke belang te groot.

Marcel Canoy is hoogleraar zorgeconomie bij TILEC, Universiteit van Tilburg en hoofdeconoom bij internationale onderzoeksbureau ECORYS. Tot voor kort was Canoy werkzaam voor de Europese Commissie waar hij onder meer onderzoek heeft gedaan naar orgaandonaties.

Toch het aantal potentiële donoren vergroten? Ga naar donorregister.nl