Sinead O’Connor nerveus, bedeesd

Pop Sinead O’Connor. 13/6 Paard van Troje, Den Haag.

„Deze muziek is bedoeld voor een rustige omgeving”, begon Sinead O’Connor haar optreden tijdens de zevende en laatste editie van The Music In My Head in Den Haag. Het festival verdiende een passender locatie, want aan O’Connors woorden liet lang niet iedereen in rockclub Paard van Troje zich iets gelegen liggen. Concentratie bij een popconcert moet je afdwingen, niet bij voorbaat eisen. De fragiele muziek van de Ierse zangeres had het beter gedaan in een theater zonder biertaps en geroezemoes.

Na haar reggae-uitstapje op de cd Throw Down Your Arms uit 2005 is Sinead O’Connor terug bij de folk. Op het vorig jaar verschenen album Theology omarmt ze de religie als tekstonderwerp, in eigen nummers en covers zoals een sensueel I don’t know how to love him uit Jesus Christ Superstar. De zangeres die in 1992 opzien baarde door live op de Amerikaanse tv een foto van de paus te verscheuren, maakte nu een bijna kwezelachtige indruk met haar bedeesde liedjes over vrede en verdraagzaamheid. Ze was zenuwachtig, zei ze er eerlijk bij.

Het breekbare poppetje van begin jaren negentig is nu een robuuste vrouw in een flodderige trainingsbroek. Ze zong nog even zuiver en roerend, maar deed een beroep op het inlevingsvermogen van het publiek met een forse greep uit het nieuwe, onbekende en veelal vrij slome materiaal.

Folkgitarist Steve Cooney voegde er mooie accenten aan toe maar de keyboardbijdragen van Kieran Kiely neigden naar kitsch, vooral toen hij in If you had a vineyard een armvol violen uit zijn toetsenbord toverde. Het werd steeds rumoeriger, zelfs toen het bevrijdende Nothing compares 2U zich aandiende, beduidend slomer dan het origineel.

O’Connor heeft niet meer het charisma waarmee ze ooit een vol Ahoy aan haar voeten kreeg. In Den Haag preekte ze voor reeds bekeerden, niet voor het festivalpubliek dat voor een deel pas na de voetbalwedstrijd binnenstroomde en veel had na te praten.