Niet blijven hopen op succes via referenda

Het nee van Ierland, is geen verrassing, vindt Ben van der Velden. Europese politici overschatten schromelijk de mate waarin zij de bevolking van landen kunnen beïnvloeden.

Of het heel erg is dat de Ieren niet meedoen? Ach, die komen we op de volgende EK wel weer tegen! Tekening Ruben L. Oppenheimer Oppenheimer, Ruben L.

Na het Ierse nee vorige week tegen het Verdrag van Lissabon hebben veel Europese commentatoren zich verbaasd over deze opstelling van een land dat zoveel welvaart aan het lidmaatschap van de Europese Unie te danken heeft. Dat is vreemd. Want het zou opzienbarender geweest zijn als de Ieren vóór het Europese verdrag gestemd hadden. Referenda over Europese verdragen lopen namelijk meestal slecht af.

Waarom dan toch die verbijstering en ontgoocheling over de opstelling van de Ierse kiezers? Europa wist dat volgens de Ierse grondwet een nieuw Europees verdrag alleen na een referendum goedgekeurd kan worden. En de ervaring in Frankrijk, Denemarken, Zweden, Nederland en Ierland (dat in 2001 het Verdrag van Nice afwees) leert dat de debatten bij referenda over veel gaan, maar niet over de inhoud van het verdrag.

Net als het in 2005 gesneuvelde Europees Grondwettelijk Verdrag, versterkt het Verdrag van Lissabon de positie van de lidstaten in de Europese Unie. Dus hadden de Ieren die bang zijn voor toenemende macht van Brussel, juist vóór dit verdrag moeten stemmen. Maar zo werkt het nu eenmaal niet bij referenda.

Toch hebben de Europese landen tot voor kort gedaan alsof er geen vuiltje aan de lucht was. De Franse president Sarkozy ging er zelfverzekerd van uit dat hij als voorzitter van de Europese Unie na 1 juli de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon per januari 2009 kon voorbereiden. Wat er ook bedacht wordt om uit de door het Ierse nee ontstane impasse te raken, dát kan hij nu zeker vergeten.

Europese politici overschatten schromelijk de mate waarin zij de bevolking van landen kunnen beïnvloeden. Dat blijkt niet alleen bij referenda. Bij de relatie met kandidaat-lidstaat Turkije doet zich hetzelfde voor. Brussel maakt zich sinds kort zorgen over de Turkse democratie, omdat de kans groot is dat regeringspartij AKP door het Turkse Constitutionele Hof onwettig wordt verklaard en dat premier Erdogan een jarenlang verbod krijgt om politiek te bedrijven. Zoiets past niet bij een democratie.

Maar was het dan niet bekend dat hetzelfde Constitutionele Hof in 1997 de voorganger van de AKP, de Welvaartspartij, verbood? En dat de toenmalige Turkse premier Erbakan voor vijf jaar een verbod kreeg opgelegd om zich met politiek te bemoeien? Dat bovendien de Turkse Grondwet, die dit allemaal mogelijk maakt, daarna niet is veranderd?

Natuurlijk wisten de Europese politici dat. Maar zij rekenden erop dat Turkije onder druk van de Europese Unie fundamenteel zou veranderen. Dat bij het vooruitzicht van een mogelijk lidmaatschap van de Europese Unie de Turkse traditie met autocratisch denkende militairen en ambtenaren als sneeuw voor de zon zou verdwijnen.

Maar of Turkije zo ingrijpend verandert, wordt niet in Brussel bepaald. De Turken zélf beslissen of ze met hun ondemocratische systeem verder willen of niet.

Europese politici moeten beseffen wat de grenzen van hun invloed zijn. Ze hebben in 1993 in Kopenhagen de criteria vastgelegd waaraan lidstaten van de Europese Unie moeten voldoen. Democratie, rechtstaat, mensenrechten, een functionerende markteconomie. Maar over de vraag waarom in Italië de maffia, die geen van deze criteria respecteert, nog steeds springlevend is, hebben ze zich niet gebogen. Italië is al vanaf het eerste uur lid van de Europese club.

Hopen dat alles vanzelf goed komt, is net zo onzeker als een staatslot kopen om een faillissement te vermijden. Dat geldt ook voor referenda. Hopen op succes bij referenda over ingewikkelde verdragen heeft weinig zin. De kiezers stemmen nu eenmaal graag nee. Bovendien worden ze langzamerhand tureluurs van Europese verdragen, die iedere keer weer als het grote, baanbrekende succes worden gepresenteerd en dit korte tijd later toch weer niet blijken te zijn. In 1986 de Acte Unique, in 1992 het Verdrag van Maastricht, in 1997 het Verdrag van Amsterdam, in 2000 het Verdrag van Nice, in 2004 het Grondwettelijk Verdrag en nu het Verdrag van Lissabon.

Als referenda onvermijdelijk zijn, moet Europa rekening houden met de kiezers. Minder en vooral eenvoudiger verdragen is daarom het enige wat erop zit. Dat geldt ook voor verdragen die toetreding van nieuwe lidstaten regelen. Als Europa het bestuurlijk niet aan kan, moet het geen nieuwe leden opnemen. Een goede buurman is beter dan een huis vol herrie.

Ben van der Velden is oud-correspondent van NRC Handelsblad in Brussel.