‘Nee, mijnheer’

Kees Fens, het zal moeite kosten voortaan ‘wijlen’ voor zijn naam te zetten, kon heel goed over sport schrijven, op een manier die tegelijk veel over hemzelf vertelde.

In 1980 kwam bij de Erven Thomas Rap een boek van hem uit met de titel: Waarom ik niet tennis (en ook niet hockey). Als je dat boek gelezen hebt, en ook nog de stukken Vondelstraat en Chasséstraat uit zijn boek Stratenplan, besef je waar zijn gedrevenheid als schrijver uit voortkwam. Hij wilde ontsnappen aan een milieu dat hem als kind te weinig bestaanszekerheid had geboden.

Zijn vader was vroeg overleden en in die Chasséstraat in Amsterdam-West leefde hij met zijn moeder en een zusje van Sociale Zaken. „De sociale controle is een schande zonder weerga geweest”, vertelde hij in 1982 aan Max Pam in de Haagse Post. „Ik weet nog dat mijn vader zaterdag was begraven en dat op de maandag daarop weer een man van Sociale Zaken op de stoep stond om te vragen of mijn moeder via de verzekering wat aan de begrafenis had overgehouden. Dat moest dan in mindering worden gebracht op de steun. Volstrekt meedogenloos, en als ik dat gekanker hoor op arbeiders die wat zwart bijschilderen, kan ik nog hels worden.”

In Stratenplan beschrijft hij hoe het hem als jongetje het hoogste geluk leek om in de chique Vondelstraat bij het Vondelpark te wonen. „Later zou ik in heel Europa Vondelstraten ontdekken, de erfenis van de negentiende-eeuwse bourgeoisie. Maar geen enkele had dat half-karakter dat de bekoring van de Vondelstraat is: in de stad en toch aan de grens van de natuur.”

In het Vondelpark was (en is) ook een tenniscomplex. Voor de kleine Kees was dat een sprookjeswereld „voor een heel bijzondere mensensoort, een zorgeloze, voor wie het elke dag een mooie zomeravond is, met heel veel bomen in de verte en vlakbij.” Hij mag die wereld niet betreden – toen niet, maar later eigenlijk ook niet. Hij mocht er alleen een glimp van opvangen toen ze bij de ingang ijs verkochten.

Jaren later, een geletterd en gelauwerd man inmiddels, liep hij een tennispark binnen dat hem aan dat van het Vondelpark deed denken. Een man in een witte broek en een blauwe blazer kwam naar buiten.

„Zoekt u iemand?” was zijn vernietigende vraag. Ik antwoordde met ‘Nee, mijnheer’, en toen liep hij door. Maar de vraag bleek een uitwijzing. ‘Hier heb je een dubbeltje’, had hij kunnen zeggen, ‘en daar buiten het park is een witte houten winkel waar ze ijsjes verkopen in zilverpapier van de Vami.’ Ik begreep nu waarom ik nooit had getennist.”

Zijn weerzin tegen de betere standen bezegelt hij in het stukje Waarom ik niet hockey. Hij beschrijft een vader die in z’n eentje beschaamd zijn dochter, de keeper, staat aan te moedigen met een gedempt ‘Hup Anne-Marie’. „En later rijden ze naar hun home”, schrijft hij dan, „hun drie sticks op de achterbank, want hun uitrusting is altijd perfecter naarmate hun spel slechter is.”

Hun home.

Zelf ging Fens aan het einde van zijn leven aan de Keizersgracht in Amsterdam wonen. Ook niet mis. Ik zag hem daar af en toe lopen in zijn opvallende lichtbeige regenjas-met-ceintuur, een zwierige, crèmekleurige hoed op het hoofd. Misschien was het wel zijn ultieme wraak op een wereld die hem zo lang klein had gehouden.