Is Youp geworden wie hij zegt te bestrijden?

Frénk van der Linden heeft een kleine, maar cruciale verbetering aangebracht in de formule van zijn interviewprogramma 30 hoog (NCRV). In de eerder dit seizoen uitgezonden eerste reeks liet de interviewer zich door zijn redactie verrassen met een hem onbekende gast en begon dan meteen aan een portretterend gesprek van 25 minuten, mede aan de hand van enkele voorwerpen die de gast meebracht.

Locatie (de hoogste verdieping van een kantoorflat aan het IJ) en toon zijn hetzelfde in de tweede serie, maar het verschil is dat Van der Linden nu een paar minuten tevoren hoort wie er zo zal binnenkomen. We mogen met hem meekijken naar een videomontage van archieffragmenten van de gast. In gesprek met een onzichtbare redacteur, van wie de stem later is ingesproken door Peer Mascini, beantwoordt Van der Linden enkele vragen over de te volgen strategie. Zo wordt de kijker deelgenoot van de moeilijkheidsgraad en de problemen die opgelost moeten worden, en dat maakt onze betrokkenheid bij de uitdaging groter.

Nu wisten we al een paar dagen, door uitzending van promo’s van 30 hoog, dat de eerste gast cabaretier Youp van ’t Hek zou zijn. En dat de confronterende aanpak van de interviewer op verzet zou stuiten. Ik meen me zelfs te herinneren dat Van ’t Hek in het wervingsfilmpje op een vraag naar een buitenechtelijke affaire antwoordt: „Dat gaat je niets aan.”

In het programma zelf gaat het iets anders en is de uiterste verdediging van de geïnterviewde waar het deze kwestie betreft een wedervraag: „Doet dat ter zake?”

Ik zal het dus wel verkeerd onthouden hebben, want er lijken geen of weinig knipjes in het gesprek te zitten, en je kunt je nauwelijks voorstellen dat delen ervan twee keer zijn opgenomen.

Het is duidelijk dat Van ’t Hek niet veel zin heeft in de psychologiserende aanpak van Van der Linden. Die zegt ook tevoren, in een eerste reactie: „Youp van ’t Hek geldt als bijna oninterviewbaar, eigen act, eigen show, niet te penetreren”. De ondervrager moet een paar minuten nadenken over „een enorm dilemma: de frontale aanval of flauwe slijmerij”. Maar er is geen weg terug, de belangrijkste vraag moet en zal worden gesteld: „Hoe combineer je al je gescheld op het burgermannetje met een minnares met het feit dat je er zelf op een dag een krijgt?”

Het begint met omtrekkende bewegingen. Dat ze vijf jaar geleden al eens een broodje samen hebben gegeten en de bevestiging van het gerucht dat wijlen bierbrouwer Freddy Heineken een kwart eeuw geleden achter Youps vrouw aan had gezeten, maar dat er geen verband was met de latere succesvolle aanval op het alcoholvrije biermerk Buckler van Heineken.

Zo, dat ging makkelijker dan de volgende, nogal grote vragen, waar Van ’t Hek probleemloos zijn schouders over kan ophalen: „Wat is de diepste wond die het leven jou bezorgd heeft?” en „van welke pijn heb je het meest geleerd?”

Nadat de cabaretier heeft bekend redelijk goed met zichzelf te kunnen opschieten, komen we dan toch terecht bij de cruciale kwestie: is Youp het soort man geworden die hij zelf zegt te bestrijden? Ja, hij vliegt eens per jaar naar Milaan voor een voetbalwedstrijd, en dat is „niet zo groen”. Na enig doorvragen geeft hij toe „misschien wel een vriendinnetje te hebben gehad”, maar dan zonder dubbele agenda. En hij ontkent in zijn shows zulk gedrag ooit te hebben bespot, integendeel: hij heeft nooit nagelaten het huwelijk „een lange zit” te noemen en als credo te voeren dat iedereen de plicht heeft om gelukkig te worden.

De confrontatie loopt uit op een dialoog tussen twee mannen die verschillende talen lijken te spreken. Grappig genoeg ga je als kijker, ondanks de zorgvuldig geplante identificatie met de interviewer en de te verwachten hinderpalen, meer sympathie voelen voor de prooi, die immers bewonderenswaardig handig weet te ontsnappen aan de moralistische schoten hagel van de jager. Wat mij betreft werkt de dieptepsychologie van 30 hoog dus nog steeds niet, ondanks de welkome uitbouw van het competitiegehalte.