Herinneringen aan een dode journalist

Met Kees Fens, die nu dood is, heb ik het vaak gehad over wat ik onze blinde-dove-competitie noemde. Hij had slechte ogen, en om een boek uit te krijgen had hij steeds meer inspanning nodig. Mijn ogen zijn weliswaar ook nooit achttienkaraats geweest, maar over mijn leestempo heb ik nimmer hoeven klagen, en de meeste boeken heb ik redelijk onthouden. Met schrijven was het omgekeerd. ‘Ik schrijf onbeschoft snel’, gaf hij boetvaardig toe als we de kwestie weer eens aan de orde hadden gesteld. Want hij wist dat een alinea als waar ik nu mee bezig ben, mij gauw drie kwartier kostte.

Zoals blinden meestal liever doof waren geweest, en andersom, heeft Kees mij altijd mijn leessnelheid benijd, en ben ik altijd jaloers gebleven op zijn vermogen om op het moment dat hij een vel in z’n schrijfmachine draaide (of later z’n laptop opende) al precies te weten wat hij moest schrijven, en hoe, en waarom. Daags voor hij stierf belde hij vanuit het ziekenhuis een collega van de Volkskrant. Hij had een stuk klaar over een nieuwe Petrarca-vertaling, en of iemand dat even kon komen ophalen.

Dat stuk staat deze week dus in de krant, z’n laatste, postume bijdrage. Ik denk niet dat in zijn nalatenschap nog veel allerlaatste artikelen, essays of columns zullen worden gevonden. Hij schreef om morgen gepubliceerd te worden – daar deed hij het voor, daar liet hij zich ook niet van afbrengen. Hij kon intussen een poosje redacteur zijn van het tijdschrift Merlijn, of in Nijmegen hoogleraar Moderne Literatuur worden, of de P.C. Hooftprijs voor zijn hele oeuvre in ontvangst moeten nemen, maar de krant heeft intussen nooit hoeven wachten op de afgesproken recensie, de afgesproken bespiegeling, of een afgesproken necrologie.

Je zou het niet zeggen van iemand die tot de meest belezen Nederlanders van de afgelopen 78 jaar moet hebben behoord, maar eerst en vooral was hij een journalist, sterker nog: een allround journalist. Politiek, sport, mode, Monteverdi, Engelse doopvonten uit de 12de eeuw – je hoefde maar te kikken, of hij had er al een gedetailleerd, geestig, en altijd deskundig artikel over geschreven. Hij was een anglofiel, maar hij kocht eigenlijk even graag in Rome een paar dure sokken of een zijden das; er was ook iets van een dandy aan hem verloren. En al die interesses, al die voorkeuren, al die hobby’s nam hij mee als hij schreef over wat hem bovenal bezig hield: de beschavingsgeschiedenis in het algemeen, de schone letteren in ’t bijzonder.

Mensen als hij bestaan bijna niet meer – nauwelijks om je heen, maar dat is het minste, maar ook nergens in de journalistiek, en dat is jammer. Dat verzameld werk, dat goeddeels uit krantenknipsels bestaat, en waarvoor hij de P.C.Hooftprijs kreeg, daar moeten we net zo afscheid van nemen als van Fens zelf: het is niet voor herhaling vatbaar.

Dat hij en ik mekaar al in de jaren dertig van de vorige eeuw hadden kunnen ontmoeten (ik voetbalde in de Amsterdamse Chasséstraat op het pleintje van zijn roomse kerk) heeft achteraf een band geschapen. Wat ik in hem altijd ben blijven herkennen is het typische crisiskind dat thuis heeft geleerd dat je overal altijd je best moest doen, om later niet werkloos te worden. Hij was een autodidact bij uitnemendheid, en werd tenslotte niet voor niets de trouwe geleerde bij een volkskrant.

Dat stuk over Petrarca krijgen we dus nog te lezen. Maar hoe moet een nieuwe generatie krantenlezers nu nog vertrouwd raken met Augustinus en de andere kerkvaders, met Dante, met Oscar Wilde en met de poëzie van Lucebert?

Dat zal nog een probleem worden.

Jan Blokker

Kijk voor alle columns van Jan Blokker op nrcnext.nl/blokker

Lees over het leven van Kees Fens op pagina 25