De letter Z

Een idiote ervaring, goed beschouwd. Een hemel zo strak dat het pijn doet, een kou van 14 graden die je, zomaar in Afrika, niet verwacht, bizarre tocht naar het hotel, langs de weg mensen met landbouwgewassen op het hoofd, auto zoeft zo snel voorbij dat je ze in de spiegel ziet wankelen – en dan het absurde Meikles hotel, een bakbeest van twaalf verdiepingen in het centrum, het duurste en meest luxe van Harare. Op kosten van de Nederlandse ambassade.

Ik voelde me tamelijk verdwaald tussen de blanke gasten en het zwarte personeel, personeel in deftig pak, gasten in korte kakibroeken met veel zakken en stevige schoenen, alsof ze net op jacht waren geweest. Maar niemand stoorde zich aan mijn aanwezigheid, er was geen afkeuring en geen goedkeuring, enkel onverschilligheid. Dat was begin jaren negentig.

Aan mijn chef bij de krant had ik verteld dat ik een unieke reportage zou maken over Zimbabwe: ik zou de liefde beschrijven tussen blank en zwart, met name tussen een blanke vrouw en een zwarte man.

Zoiets had ik nog nooit gelezen, ook niet bij Doris Lessing, ooit huisschrijfster van Zimbabwe toen het nog Rhodesië was, nu nobelprijswinnares. De blanken, schreef ze in African Laughter (1992), lachen om de ‘Affs’, omdat die niets gedaan krijgen en elkaar keurig op commando te lijf gaan – de zachtpratende Shona en de onstuimige Ndebele. Doris Lessing kon zich op haar eigen melancholisch-optimistische toon danig opwinden om die schaterlach van de ‘Rhodies’, en ik kon er iets van navoelen in de bar van het Meikles hotel: de zwarte bediening lachte nooit, zelfs een glimlach kon er niet van af.

Ik had drie weken voor het verhaal en dankzij de ambassade gingen veel deuren open. Ik kon de minister van Cultuur aanspreken, een theatermaker die mijn doel nogal vermakelijk vond: bestaat niet, zei hij, een relatie tussen een blanke vrouw en een zwarte man, je kunt net zo goed een stuk willen maken over het havenbeheer, zei hij schuddebuikend (Zimbabwe is omringd door land).

Maar ik kon het me niet voorstellen. Hoe kunnen mensen eeuwen bij elkaar zijn en van elkaar afblijven? „Je zei mensen”, zei de minister, „en daar begint de vergissing. De blanken en de zwarten zien elkaar niet als mensen, maar als wezens van een andere orde.”

Ik belde mijn chef in Nederland: verhaal over liefde tussen blanke vrouw en zwarte man gaat niet lukken, zelfs het omgekeerde niet.

Of ik een alternatief had, vroeg de chef. Ja, zei ik, een stuk over havenbeheer. Nee, zei chef, hou je aan je onderwerp.

Ik op pad. Ik ontmoette inderdaad een brallerige blanke man die kinderen had verwekt bij een zwarte vrouw, maar hij had er niets interessants over te vertellen. Zijn beroep leek spannender: hij kweekte krokodillen voor het vlees en de huid. Maar met zo’n verhaal zag ik mezelf niet terugkomen naar Nederland.

En toen, op een avond, na een wandeling door de stad, en het me weer opviel hoe stil het in Harare was in vergelijking met alle steden die ik kende, belde de minister: hij kende een koppel, blanke vrouw, zwarte man, twee zoons. Het verhaal lukte, wonderlijk genoeg, hoewel de vrouw in kwestie niet mee wilde werken, omdat ze niet wilde worden herinnerd aan de pijnlijke gebeurtenissen uit het verleden: ze was bespuugd door blanke kennissen en uit haar huis verjaagd terwijl ze zwanger was.

Ik ben nog een paar keer teruggeweest in Harare, die vreemde, koele plek op een tafelberg. En telkens viel de stilte me op, die waanzinnige hemel, dat landschap alsof god in een speelse bui was: je was Harare amper uit of je zag stenen van een paar honderd meter, gewoon hier en daar neergelegd. Als ik in Afrika zou moeten wonen, zou ik Harare kiezen.

Nu niet meer natuurlijk. Hoe die xenofobe, homofobe, allesfobe hitlersnordragende Mugabe het land rechtstreeks naar de bliksem heeft weten te helpen, het zal een raadsel blijven. Hij hongert de mensen uit, hij sluit ze op, hij mishandelt ze, en niemand die hem tegenhoudt. En voor de blanken is ook niets meer te lachen overgebleven, omdat hij ze massaal van hun boerderijen heeft verjaagd.

Maar wacht. Niets te lachen? Sinds 2004 is er een merkwaardige actie gaande in Zimbabwe, gevoerd door een mysterieuze club die overal de letter Z op kalkt. Het staat voor het Shona-woordje Zvakwana, wat ‘genoeg is genoeg’ betekent. Op alle muren, lantarenpalen, bomen, telkens de letter Z. In 2004 kreeg deze ondergrondse beweging internationale faam doordat honderdduizenden condooms opdoken met daarop de tekst ‘Get up, stand up’. Dat kan meer betekenissen hebben uiteraard, maar voor Zimbabwe staat het voor het protestlied dat Bob Marley zong bij de onafhankelijkheid van het land in 1980.

De Zvakwana-beweging maakt ook intensief gebruik van het internet, ze hebben een website waarop foto’s verschijnen van politiebrutaliteiten en voorlichting over wat te doen bij traangas, en ze sturen vanuit het hele land prentbriefkaarten naar de president met de mededeling dat het land liefde nodig heeft in plaats van terreur.

Meesterlijke acties, een soort Loesje, maar dan informeler en gevaarlijker. Volgens sommige bladen krijgt Mugabe telkens een bijna-hartaanval als hij de letter Z ziet. Hij voelt zich zwaar uitgelachen en als het een keer raak is, als hij bij het zien van een Z ineens een hevige kramp krijgt en het leven laat, zal er in Zimbabwe geschiedenis zijn geschreven: dictator verjaagd door African Laughter.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/ramdas