De criticus die in alles de schoonheid zocht

Het ‘losse schrijven’ over ingewikkelde, soms zwaarwichtige materie was de grootste kracht van Kees Fens, die zaterdag stierf.

Fens’ eerste stuk was een toneelrecensie. „Ik bleek het meteen te kunnen”, herinnerde hij zich. „Vanaf die tijd ben ik blijven schrijven.” Foto Leo van Velzen Velzen, Leo van

‘Onze diepste lezer.’ De betekenis voor het culturele leven van de zaterdag in zijn woonplaats Amsterdam overleden criticus en essayist Kees Fens kan niet beter worden aangeduid dan met deze typering door schrijver en dichter Willem Jan Otten. ‘Onze diepste lezer’ was tegelijkertijd onze meest bevlogen en veelzijdige observator van alle kunstvormen, waartoe in zijn beleving ook de sport behoorde.

Tot eind vorige week schreef Fens, happend naar adem, recensies en kunstcolumns voor de Volkskrant. Met groot enthousiasme bereidde hij zich voor op de lezing die hij maandagavond zou houden bij de première van Hans Kellers aan hem gewijde documentaire Erfgenaam van een lege hemel, over de beleving van religieuze kunst, een onderwerp dat Fens meer dan wat ook heeft bezield.

Cornelis Walterus Antonius Fens werd in 1929 geboren in Amsterdam, de stad waar hij altijd aan verknocht is gebleven en waaraan hij zijn laatste fijnzinnige boekje Het geluk van de brug wijdde. De criticus, die in alles de schoonheid zocht – in zijn kleding, in zijn superieure stijl van schrijven, maar bovenal in de literatuur – en die zijn leven eraan wijdde anderen deelgenoot van zijn schoonheidsbeleving te maken, was een autodidact. Na aan het Amsterdamse Ignatius College het gymnasium te hebben doorlopen, wilde hij klassieke talen studeren, maar die droom werd op 15 juni 1948, precies zestig jaar vóór hij als Nederlands grootste literatuur- en kunstkenner overleed, wreed verstoord. „Mijn moeder leefde van sociale zaken. Ik had 10 juni mijn diploma gekregen en 15 juni stond er een vent van sociale zaken op de stoep, die zei: ‘Nu is het mooi geweest, nu moet hij gaan werken.’ Zo ging dat toen. Ik moest dus een baantje zoeken,” vertelde hij me tijdens het laatste gesprek dat ik in zijn appartement aan de Keizersgracht met hem voerde.

Met administratief werk voor het katholieke weekblad De Linie bekostigde hij een avondstudie voor de leraarsakte Nederlands. In 1954 kon hij bij De Linie eindredactiewerk kon gaan doen. Zijn eerste stuk was een toneelrecensie. „Ik bleek het meteen te kunnen,” herinnerde Fens zich niet zonder trots. „Vanaf die tijd ben ik blijven schrijven.”

In 1960 stapte hij over naar het dagblad De Tijd, waar hij furore maakte als literair criticus. Al na twee jaar – hij was toen 31 – kreeg ‘prijs der literaire kritiek’, de eerste in een reeks prestigieuze onderscheidingen, waaronder de P.C. Hooftprijs (1990) en een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam (2004).

Publieke bekendheid verwierf Kees Fens nadat hij in 1969 recensies ging schrijven voor de Volkskrant. Vooral zijn befaamde ‘Maandagstukken’, waarin hij op het oog ontoegankelijke boeken en proefschriften diepgaand en aanstekelijk besprak vonden een grote schare gretige lezers.

Kees Fens is nooit in vaste dienst geweest bij een krant. Hij gaf les, eerst aan het Triniteitslyceum in Haarlem, vanaf 1964 aan de Frederik Muller Academie in Amsterdam. In 1982 werd hij, als eerste niet-academicus, benoemd tot hoogleraar moderne letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Na zijn emeritaat in 1994 werd hij daar benoemd tot bijzonder hoogleraar literaire kritiek. „Ik heb veel les gegeven, ik deed dat verdomde graag, jammer dat ik dat nu niet meer kan,” zei hij later.

Ook het literaire tijdschrift Merlyn (1962-1966) dat Fens samen met J.J. Oversteegen en H.U. Jessurun d’Oliveira oprichtte, was een vorm van lesgeven in het lezen van vooral (experimentele) poëzie. Merlyn bracht een omslag teweeg in de literatuurbeschouwing die tot ver in de jaren vijftig nog onder invloed stond van het tijdschrift Forum, waaraan de namen van Menno ter Braak, E. du Perron en Vestdijk verbonden waren. Terugkijkend zei Fens over zijn Merlyn-tijd dat hij toen, ook voor de krant, te serieus schreef. „Onlangs heb ik mijn recensie van Kort Amerikaans uit 1962 teruggelezen. Dat is een goed stuk, maar saai: te weinig gedurfd, qua taal ook. Het was streng en strak. Ik vind dat ik nu tien keer losser schrijf.”

Misschien was dat ‘losse schrijven’ over ingewikkelde, soms zwaarwichtige materie wel zijn grootste kracht. ‘Hij zou het model moeten zijn voor alle critici die hun vak niet als amusement opvatten,’ aldus Trouw-criticus Tom van Deel in de ter gelegenheid van Fens’ eredoctoraat uitgebrachte essaybundel Kijk op kritiek.

Fens grote voorbeeld bleef Menno ter Braak. „Toen die als leraar geschiedenis redacteur bij Het Vaderland werd, bleek hij echt een journalist te zijn. Dat ben ik eigenlijk ook. Iedereen kan één keer in de drie maanden een goed stuk schrijven. Maar bijna niemand kan iedere week een goed of een gemiddeld goed stuk schrijven. Pas als je dat kunt, heb je journalistieke aanleg, wat iets anders is dan literaire aanleg. Ik vond het altijd het leukste als er iemand dood ging. Dan werd je gebeld om een necrologie te schrijven die dan een paar uur later binnen moest zijn. Heerlijk.”

‘Heerlijk’, is een woord dat bij niemand zal opkomen nu de meester zelf is geveld. Hij zal diep worden gemist door zijn talrijke dierbaren en vrienden, zijn lezers en leerlingen voor wie hij als voorbeeld en maatstaf dient.