Wie leert, moet lijden

Net als in Nederland maakt men zich in Frankrijk grote zorgen over het basisonderwijs. De oplossing: meer aandacht voor taal en rekenen. Dezelfde oplossing als zes jaar geleden. „Frankrijk heeft de school van de verveling.”

Franse leerlingen schrijven een opstel (Foto AFP) Des élèves de CM2 écrivent une dictée le 08 juin 2007 sous le préau de l'école primaire du Puits Picard, à Caen. AFP

Mathieu (11) was tot voor kort geen jongen over wie de andere kinderen het hadden. Geen held, geen schlemiel. Onopvallend wandelde hij elke morgen naar de school in zijn kalme woonwijk zonder problemen.

Tot die doodgewone woensdag in mei. Toen kwam Mathieu niet aan. Binnen enkele uren hing zijn foto op het schoolplein en bij het postkantoor. Een helikopter kwam zoeken, maar groot alarm via radio en tv bleef uit. Kennelijk had de politie reden om aan te nemen dat hij niet ontvoerd was.

De volgende dag bleek waarom. ’s Nachts was Mathieu teruggevonden aan de andere kant van Parijs. Hij was gevlucht per metro, nadat zijn moeder hem eens goed de waarheid had gezegd. Ze had haar dreigement aan de politie opgebiecht. Als hij nog één slecht cijfer zou krijgen, was hij haar zoon niet meer.

Angst van ouders dat hun kinderen het niet zullen redden – dat is een dagelijkse realiteit in Frankrijk. Je merkt het op ouderavonden, waar vaders en moeders vaak maar één vraag hebben: kunnen de kinderen niet wat meer huiswerk krijgen? En wat meer uit hun hoofd leren?

Je ziet het aan de particuliere bijlescentrales, die een explosieve groei doormaken. Wie het zich kan veroorloven, huurt een bijlesleraar in.

De behoefte van ouders hun kinderen op te jagen is de Franse reactie op de vertrouwenscrisis in het onderwijs, zegt Bernard Hugonnier, plaatsvervangend directeur onderwijs bij de OESO. In zijn werkkamer op de 21ste verdieping van de OESO-toren in kantorenwijk La Défense kijkt hij somber uit over zijn vaderland.

In alle rijke landen bevindt het onderwijs zich in een crisis, maar in Frankrijk wordt wel heel slecht gereageerd, vindt hij. Ouders zijn bang voor de competitieve wereld waarin hun kinderen opgroeien. Vandaar de roep om meer schoolwerk, meer huiswerk en hogere eisen. Vandaar de bijlessen. „Onderwijs krijgt het karakter van een eliminatiestrijd waarin de kinderen met de zwakste sociale achtergrond verliezen.”

Overal proberen beleidsmakers de nationale onderwijssystemen aan te passen aan de mondialisering, aan grotere onzekerheid, minder vastigheid en snel veranderende werkwijzen op de arbeidsmarkt. Meestal is de oplossing: meer geld erbij, meer leerkrachten, meer uren. Sinds 2000 zijn de uitgaven voor onderwijs in de OESO-landen explosief gestegen, gemiddeld met bijna 40 procent. Maar het leidt niet tot betere resultaten. Regeringen zoeken nu naar nieuwe wegen. Ook in Nederland wordt hard gepleit voor meer rekenen en taal op school.

In Frankrijk is die oplossing al langer populair. In 2002 voerde de toenmalige regering een grootscheepse vernieuwing door van het programma op de basisschool waarin, naast le vivre ensemble (over hoe je beschaafd moet samenleven), taalverwerving voorop stond. Sinds 2005 kan iedere ouder in de winkel een overzichtswerk kopen van de socle commun, het pakket ‘kerndoelen’ dat samenvat wat ieder kind moet kennen aan het einde van de basisschool. Maar meer duidelijkheid en meer nadruk op taal zijn de afgelopen jaren niet afdoende gebleken. De paniek neemt alleen maar toe. Elke ouder kan de onderzoeken noemen die bewijzen hoe slecht het gaat. Frankrijk staat voor taal op de achttiende plaats op de bekende PISA-ranglijst die de prestaties van leerlingen in de geïndustrialiseerde OESO-landen bijhoudt. Voor rekenen is dat positie 21; Nederland staat, respectievelijk, op de achtste en vijfde plaats.

De Franse onderwijsraad, geleid door directeur Bruno Racine van de Franse Bibliothèque Nationale, kwam vorig jaar met een alarmerend rapport, dat gretig wordt aangehaald. Daarin staat dat een kwart van de kinderen de basisschool verlaat zonder goed te kunnen lezen, schrijven en rekenen. Vijftien procent heeft een ernstige achterstand. En dat zijn meestal niet de leerlingen die dure bijles krijgen.

De paniek wordt gevoed door een lobby van publicisten die een terugkeer naar de ‘goede oude tijd’ bepleiten, toen er op school nog hard gewerkt werd. Hun aanvoerder is een ex-leraar, Jean-Paul Brighelli, die nu leeft van zijn talent voor polemiek. Hij schreef in 2006 Fabrique du Cretin (de Ezelsfabriek). De titel van zijn boek is een gevleugelde uitdrukking geworden voor de Franse school.

Ouders hebben gelijk, zegt Brighelli, als ze zich beklagen over het gedaalde niveau van het onderwijs. Het is de schuld van de ‘pedagogen’ – de onderwijsspecialisten die menen dat het kind centraal moet staan, niet de kennis. De titel van zijn nieuwste boek Fin de Récrée (Het Speelkwartier is over), geeft treffend weer welke stroming nu boven ligt. President Sarkozy zit op dezelfde lijn als ongeruste ouders: alleen harder werken, hogere eisen en een terugkeer naar oude verhoudingen kunnen een einde maken aan de teloorgang van het Franse onderwijs.

Er daar is haast bij. Minister van Onderwijs Xavier Darcos voert, amper een jaar na zijn aantreden, in september weer een nieuw programma voor de lagere school in, zes jaar na de laatste grote vernieuwing. De schoolweek wordt met twee uur bekort tot 24 uur. Dat alleen al betekent een revolutie in het Franse onderwijs: eindelijk kan de zaterdagmorgen uit het schoolprogramma worden geschrapt. In de praktijk betekent het dat de vierdaagse schoolweek wordt ingevoerd, want woensdag is er geen school. De twee uur extra moeten gebruikt worden voor les aan de vijftien procent leerlingen met grote leerproblemen, waarschijnlijk op woensdag.

De nadruk komt nog meer te liggen op rekenen en taal, met precieze aanwijzingen voor het programma: in de eerste klassen tien uur taal per week, vijf uur rekenen en negen uur voor de rest. In hogere klassen wordt het iets soepeler: twee uur taal mag ook aan geschiedenis of andere onderwerpen besteed worden. En als het kind op zijn elfde wordt afgeleverd op het collège, de Franse middenschool, moet hij zijn data kennen: wanneer werd Clovis gedoopt, hoe heten de 99 Franse provincies? „Op school ben je om te leren”, zegt Darcos.

Wordt de school beter door meer rudimentaire eisen te stellen?

In een hoekje van de bank in zijn zonnige Parijse appartement veert Philippe Joutard verontwaardigd op bij die vraag. De historicus en onderwijsbestuurder was de auteur van de programmahervorming van 2002. Dat was al een „terugkeer naar de fundamenten”, onderstreept hij. De vraag is volgens hem: waar ligt het juiste evenwicht? Joutard vindt het „heel goed” als in landen als Nederland weer meer nadruk op traditionele kennis en vaardigheden wordt gelegd, „want jullie waren al een stuk verder met de invoering van nieuwe speelsere leermethoden”. Maar in Frankrijk, nog meer? Nog meer gedichten uit je hoofd leren en als het niet lukt dat gedicht vijf keer overschrijven? Volgens Joutard schiet de aandacht voor ‘ouderwetse kennis’ nu door. Hij haalt de woorden aan van de rechtse ex-minister van Onderwijs Luc Ferry, die de hervorming die zijn partijgenoot Darcos nu gaat doorvoeren, een vorm van „schoolpopulisme” noemt. „De regering wil ouders geruststellen die de mythe koesteren van een gouden verleden tijd, toen het Franse onderwijs nog van topkwaliteit was.”

Volgens de oudervakbond PEEP slaat de basisschool door Darcos inderdaad eindelijk „de weg van het succes” in. Maar er is ook protest. Sommige experts keren zich scherp tegen het verkorten van de schoolweek. Onderwijshistoricus Antoine Prost fulmineerde onlangs in Le Monde tegen wat hij een „pedagogisch München” noemt. Zoals Europa in 1938 Hitler zijn gang liet gaan, klinkt er nu naar zijn smaak te weinig weerstand tegen het afschaffen van school op zaterdag. Als kinderen minder werken, redeneert Prost, zullen ze minder leren en dus nog meer achterstand oplopen ten opzichte van de rest van de wereld. Darcos stelt daar tegenover dat Franse kinderen nog altijd gemiddeld 100 uur meer onderwijs krijgen dan hun Europese leeftijdsgenoten.

Ook leerkrachten protesteren. Ze vrezen dat ze ‘mechanisch’ moeten gaan lesgeven: meer kennis erin stampen in minder tijd zonder nog gelegenheid te hebben voor oefening in kritisch en creatief denken. Maandenlang protesteerden ze tegen de op handen zijnde hervormingen, maar zonder succes.

Volgens Joutard dreigt de gedachte dat kinderen te weinig leren in Frankrijk uit te draaien op een obsessie. „Kinderen moeten de honderdjarige oorlog weer kennen. Maar om die tijd echt te behandelen en te begrijpen is nauwelijks nog tijd. Het wordt data stampen uit de nationale geschiedenis.” Taal en rekenen worden hopeloos abstract gemaakt. Verledentijdsvormen die niemand meer gebruikt zijn weer in het programma opgenomen. Geometrische figuren die nu pas op de middelbare school aan de orde kwamen, moeten straks al op de lagere school behandeld zijn. Zo wordt volgens Joutard de „zwakste kant” van Franse leerlingen versterkt. „Hun grote probleem is niet de kennis, maar hun gebrek aan initiatief. Franse kinderen kunnen zich goed redden als je duidelijke opdrachten geeft, maar hun creativiteit schiet tekort.”

Maar Joutard heeft ook kritiek op de leerkrachten. Als school saai is, ligt dat niet alleen aan de programma’s, zegt hij, maar ook aan de ouderwetse manier van werken van veel leerkrachten. „Frankrijk heeft de school van de verveling. Onderwijzers staan voor de klas en storten hun kennis uit over de kinderen, die moeten luisteren. Alle vrijheden waar je iets van zou kunnen leren, worden uit de school verbannen.” Kinderen kunnen hun ei niet kwijt, leraren waarderen hen niet. „Dat is een omstandigheid die leidt tot opstandigheid.”

Vrijdagmiddag, half zes. Voor het hek van de J. en E. Rosenbergschool in Tremblay-en-France staan dertig kinderen, tussen zes en elf jaar, hand in hand klaar om naar huis te gaan. Ze hebben naschoolse bijles gehad. „Een goede manier voor ons om bij te verdienen”, glimlacht Eric Zurcher (49), al 27 jaar onderwijzer op deze achterstandsschool ten noordoosten van Parijs. Naschoolse opvang geldt als overwerk, en dat is sinds Sarkozy fiscaal onbelast.

Net als op alle andere Franse scholen zijn in Tremblay-en-France brieven binnengekomen van de president en de minister waarin zij beloven het vak van onderwijzer ‘nieuwe waardering’ te geven en hun autoriteit te herstellen. Zurcher moet er een beetje om lachen. Zelf houdt hij ervan kinderen verantwoordelijkheid te geven, zegt hij. Bij goed gedrag en bewezen zelfstandigheid mag een kind bij hem in de klas bijvoorbeeld zelfstandig naar het schoolplein gaan voor de pauze. Maar over dat soort vrijheden krijgt hij vaak ruzie met zijn collega’s. Die zweren bij hand in hand, in rijen van twee, lopen op commando van de leerkracht. Dat is autoriteit, vinden ze. Dat bedoelt ook Sarkozy, denkt Zurcher.

Toch is hij aan het twijfelen geslagen. Zijn eigen manier om autoriteit uit te oefenen – door te argumenteren, uitdagingen te geven en te belonen – is „bijna niet meer mogelijk”, zegt Zurcher. „Kinderen van nu hebben duidelijke grenzen nodig”, zucht hij. Dat komt door de veranderingen buiten school: „ze leven in een gewelddadige wereld”.

Zurcher heeft alle veranderingen op school sinds dertig jaar meegemaakt. Tot tien, vijftien jaar geleden gaf hij extra taallessen aan verse immigranten uit Afrika en Azië, die vanuit hun woontorens om de hoek vruchteloos naar werk zochten. Nu zitten hun kinderen, soms ook kleinkinderen, op dezelfde buurtschool. Ze spreken Frans, zijn Frans, wonen op dezelfde plaats in de torens, die intussen zijn opgeknapt, maar hun wereld is er niet beter op geworden. Hun ouders zijn werkloos gebleven. Naast de school verrijst nu een moskee. Als de luidsprekers gebedsmuziek laten horen, moeten sommige jongens in de klas leren dat ze niet op de grond mogen gaan liggen om te bidden. Zurcher wil niets van religie op school weten. Maar hij denkt dat voor sommige kinderen het geloof een beschermingsmuur is tegen het ruwe leven op straat.

We gaan naar een terras bij het metrostation, een paar honderd meter verder. Straks binnen betalen, waarschuwt de ober: buiten is het te gevaarlijk. Volgens Zurcher kijken de kinderen in zijn klassen gefascineerd naar hun oudere buurtgenoten die in gangs tegen elkaar vechten, met wapens rondlopen en conflicten opzoeken met de politie. „Ze bereiden zich voor op hun entree in die wereld – en daar hoort een confronterende, uitdagende houding bij. Dat zie je op school.”

En dan: waar is school eigenlijk goed voor? Dat vragen kinderen zich af. „De kinderen die bij ons van school gaan, kunnen dat nog wel uitleggen, maar ze geloven er niet meer in. Het zijn woorden voor ze. Vooral voor de jongens. Zij weten allang: als je rijk wil worden, moet je het niet hebben van braaf je best doen.”

Eerder dit voorjaar vertelde Eric Zurcher bij een onderwijsdemonstratie in Parijs over zijn woede over het nieuwe onderwijsprogramma. „We léren de kinderen al spellen, rekenen en ook allerlei feiten. Allang”, zei hij. Het probleem is volgens hem dat de school niet is ingesteld op de zelfredzaamheid die kinderen nodig hebben in de strijd die ze buiten de schoolmuren voortdurend moeten leveren: op straat, op de spelcomputer – kinderen maken steeds minder onderscheid tussen wat virtueel en werkelijk is, vindt Zurcher –- en straks ook in het vervolgonderwijs, op de arbeidsmarkt, altijd en overal. „We reageren daar precies verkeerd op”, zegt Zurcher. „Wij eisen meer prestaties, maar die bereiken we niet. Resultaat: we verhogen de druk op kinderen, nemen nog minder tijd voor hun beleving. Resultaat: zij doen vervelend, wij nog autoritairder. Het is een vicieuze cirkel. Ik ben ongerust. Zo zal het geweldig ontploffen hier.”

Terug naar La Défense, hoog in de OESO-toren. Is het eigenlijk wel eerlijk om over hét Franse onderwijs te spreken, in de wetenschap dat er een grote kloof bestaat tussen de gemiddelde school in een middenklassewijk en de vele achterstandsscholen? Bernard Hugonnier wuift de nuance luchtig weg. „De probleemleerlingen in de moeilijke wijken verklaren de problemen niet. Dat gaat om 10 procent van de 8 tot 9 miljoen leerlingen. Als je die eraf haalt, stijgt Frankrijk van de achttiende naar de zestiende plaats op de OESO-ranglijst.”

Er is volgens Hugonnier juist een rode draad in alle onderwijsproblemen, van land tot land, van sociale klasse tot sociale klasse. Overal is sprake van een groeiende kloof tussen de wereld binnen en buiten school. Buiten school leren kinderen razendsnel; ze leven in een zap-universum met snelle overgangen van spel naar tv, van een gesprekje met de ouders naar een boek, van buurtkinderen en straatleven naar computerspel. Je vermaken, ludiek leven is de norm. „Maar zodra een kind op school komt”, zegt Hugonnier, „betreedt hij de middeleeuwen. Waarin je eindeloos lang moet luisteren naar een docent voor de klas, zonder zelf iets te mogen ontdekken. De kennis wordt zo abstract mogelijk opgedist.”

De landen die er het best in slagen de kloof tussen thuis en school te overbruggen, boeken de beste resultaten in het onderwijs, zegt Hugonnier. In plaats van zes jaar na de laatste hervorming met wéér nieuwe programma’s aan de slag te gaan, zou het Franse onderwijs volgens hem moeten gaan letten op de manier van lesgeven. Want juist in dit opzicht loopt Frankrijk „een eeuw” achter, aldus de OESO-expert. Leren is achter een boek zitten en lijden maar.

Hugonnier denkt dat Europa, en vooral de katholieke Latijnse landen, worstelen met de joods-christelijke erfenis. „De notie dat leren gepaard moet gaan met lijden is diep verankerd. Een kind dat het leuk vindt op school bewijst daarmee dat hij niet hard genoeg werkt. Er is een enorme argwaan tegen speelsheid.”

Volgens schoolhervormer Philippe Joutard wordt het Franse onderwijs gekenmerkt door een „enorm pessimisme over het kind: het is slecht en niet te vertrouwen”. De hervorming die hij zelf voorbereidde, was volgens hem gericht op een nieuw evenwicht: terug naar de nadruk op basisvaardigheden, maar tegelijk een moderner, opener benadering van de wereld en van het leren zelf. Onder meer met behulp van moderne technologie moesten kinderen meer zelf gaan ontdekken. En ze moesten taal ook leren beheersen door discussie te voeren over maatschappelijke onderwerpen, liefst in een Europese context.

Maar juist die benadering sloeg niet aan. De computer wordt gewantrouwd: je ziet ze nauwelijks in Franse klassen. Aan geld ontbreekt het niet, zegt Joutard. „Het probleem is de leraar. Als hij de kinderen aan de computer zet, is hij zijn centrale plaats kwijt. Hij moet kinderen gaan helpen in plaats van zijn autoriteit bevestigen. Dat wil hij niet.”

De nieuwe hervormingen zijn volgens hem een bevestiging van de oude verhoudingen. Leraren blijven weliswaar vrij hun eigen methoden te volgen, maar de programma-eisen spelen vooral onderwijzers in de kaart die graag voor de klas staan om hun kennis te declameren aan braaf luisterende leerlingen. „Deze hervormingen passen bij landen die in hun schulp kruipen”, zegt Joutard. „Bij volkeren die bang zijn voor de mondialisering en de concurrentie die dat met zich meebrengt.” De ‘liberaal’ Sarkozy zegt dat hij Frankrijk wil bevrijden van de angst voor de mondialisering, maar in het onderwijs doet hij het tegenovergestelde, vindt Joutard. „Hij is niet eens conservatief, maar reactionair: alles draait om orde en discipline, luisteren en stampen.”

Mathieu wandelt sinds twee weken weer elke dag naar school. Na de zomervakantie gaat hij naar het collège, de middenschool. Dan wordt het nog lastiger om goede cijfers te halen.