Waggel

Het Voedingscentrum bindt de strijd tegen de bierbuik aan, las ik in De Telegraaf. Er wordt beseft dat het een taaie strijd zal worden waarin niet meteen gemikt wordt op „grote gedragsveranderingen”, want dit is een moeilijke doelgroep. Van de Nederlandse mannen is 51 procent te zwaar tegen 40 procent van de vrouwen. Om te beginnen wordt er een slagzin gelanceerd. „Een sterke man zegt wel eens ‘nee’ tegen de verleidingen.” Het zal me benieuwen. In ieder geval is dit niet de eerste campagne tegen de zwaarlijvigheid. Ik weet niet meer welk centrum toen het initiatief heeft genomen, maar zes jaar geleden is het ook al eens geprobeerd, met de slagzin: „Maak je niet dik!” Ook een trouvaille van heb ik jou daar.

We leven nu eenmaal in het land van de slagzinnen. In de jaren twintig van de vorige eeuw (v.d.v.e.) heeft de ANWB de strijd tegen de vervuilers van de mooie natuur aangebonden met het „Laat niet als dank voor ’t aangenaam verpoozen, den eigenaar van ’t bosch de schillen en de dozen”. De strijd aanbinden wordt het altijd genoemd. Als een min of meer officiële instantie of de overheid zelf dat doet, komt er negen van de tien keer een rijmpje of een spreuk uit. Negentig jaar later zagen we dat het niet had geholpen. Nieuw beraad leverde de volgende toverspreuk op: „Een blikje op de grond zwerft nog tien jaar in het rond.” Ook een voltreffer. Omstreeks dezelfde tijd kwam een zekere Rob met de mededeling: „Weer een lid erbij, het gaat goed met de maatschappij.” Er is nog sprake van geweest dat voor deze Rob een standbeeldje zou worden opgericht.

Het enige wat tegen openbare vervuiling helpt, is een grote publieke vuilnisbak. En natuurlijk een flinke boete als je die niet gebruikt. In Parijs en New York is het een lust, een blikje, een fles, een oude krant in de muil van zo’n bak te gooien. Amsterdam heeft de meest esthetische vuilnisbakken ter wereld, met een pruimenmondje dat te klein is voor een Cola gezinsfles. En waarom dat gebeurd is weet niemand, maar al jaren geleden heeft een anoniem overheidsgenie die opening nog in tweeën gedeeld.

Nu wordt dus 51 procent van de Nederlandse mannen opgeroepen om wel eens ‘nee’ tegen de verleidingen te zeggen. Overal in het Westen worden steeds meer mensen steeds dikker. Lang geleden is het begonnen in Amerika. Het land van de onbegrensde menselijke omvang werd het. Ongelofelijk wat je daar al tientallen jaren geleden over straat zag schommelen. In Europa hadden toen alleen de Duitsers de reputatie dik te zijn. Pas aan het begin van deze eeuw werd de volksdikte ook in Nederland ontdekt. McDonald’s, de frisdrankindustrie, de bierbrouwers en de supermarkten kregen de schuld. Altijd zijn er ‘boosdoeners’ die hun slachtoffers maken en deze zielepoten moeten dan geholpen worden. Zo komen de rijmpjes en de slagzinnen in de wereld.

Ik schrijf dit stukje in een warm land waar veel toeristen zijn. Meer dan 51 procent, schat ik, is dik tot veel te dik. Het eigenaardige van toeristen is dat ze speciale kleren dragen waardoor hun omvang beter zichtbaar is. Terwijl ik naar zo’n stoet waggelaars zat te kijken, vroeg ik me opeens af waarom een voedingscentrum niet eens een film over zo’n schouwspel zou maken. Dikke mensen lopen anders, hebben hun eigen tred. Geen wonder. Als je een koffer van twintig kilo moet dragen, loop je ook anders. Deze dikkerds hebben die bagage binnen hun vel. Ze sjokken langzaam van de ene voet op de andere. Tegen zonsondergang zie je de silhouetten van hun pensen tegen de horizon. Onder hun vrolijke kleren trilt en golft het vet bij iedere stap. Als ik een voedingscentrum was, zou ik een genadeloze cineast in de arm nemen om hem met grote precisie een film over deze motoriek te laten maken.

Het is al eens gedaan, in 1973, door Marco Ferreri. Dat is La Grande Bouffe, waarin Marcello Mastroianni, Philippe Noiret en nog twee heren zich in een landhuis terugtrekken om zich een ongeluk te vreten. Dat lukt heel aardig, er komen scènes in voor vergeleken waarbij de Gouden Kooi een picnickpartijtje is, maar er is één verschil: deze mensen zijn niet dik. Ze gaan zich eens te buiten aan vreetlust; ze maken er geen gewoonte van en ze geven geen boosdoeners de schuld. Deze film duurt bijna anderhalf uur. Mijn waarschuwingsfilm zou een Ster-spotje zijn, uitgezonden voor het begin en in de rust van iedere voetbalwedstrijd.

In hetzelfde nummer van De Telegraaf las ik dat er speeltuinen voor senioren moeten komen, met „robuuste speeltoestellen” die bovendien „eenvoudiger te beklimmen en te belopen zijn”. Ik vat het op als de volgende poging om mensen van boven de zeventig voor gek te zetten. Opa en oma aan het robuuste klimrek. Hoogbejaarde brak been in speeltuin. De enige faciliteit waarmee je deze mensen een plezier kunt doen, is een café in de buurt waar je kunt roken, met muziek uit de jaren vijftig en zestig (v.d.v.e.).