Voorzichtig zijn en toch veel geld verliezen

Vermogensbeheerders hebben de zorgplicht in kaart te brengen tot welke risico’s hun klanten bereid zijn. „Maar dat biedt slechts schijnzekerheid.”

Illustratie Rhonald Blommestijn Blommestijn, Rhonald

‘Zeer defensief’ was het profiel dat hij – laten we hem Hans noemen – meekreeg van zijn vermogensbeheerder, een dochter van ING. Een terechte profielschets, vond Hans. Hij moest er niet aan denken verlies te maken met beleggen en hij snapte dat hij dan ook geen overdreven optimistische verwachtingen over de winst moest hebben. Wie na het invullen van een korte vragenlijst (zie ‘De kunst is om ook na verlies rustig te slapen’) het risicoprofiel ‘zeer defensief’ krijgt, geeft daarmee te kennen vooral in obligaties te willen stappen. Liever geen aandelen en zeker geen opties.

Verbaasd, maar niet bezorgd hoorde Hans pakweg een jaar geleden de vertegenwoordiger van zijn vermogensbeheerder aan. „Er is een Duitse bank, IKB, en daar zijn we erg enthousiast over”, vertelde de vertegenwoordiger. De bank had een rating van één A op grond van de rangschikking van Standard & Poor’s waarbij AAA (triple A in jargon) het hoogste en D het laagste is.

Hans’ vermogensbeheerder stapt namens zijn klanten alleen in aandelen van ondernemingen met minimaal een single A-rating. Het risico is dan ‘laag tot gematigd’. De man aan de andere kant van de telefoon vroeg Hans toestemming om in de zwaar ondergewaardeerde industriebank IKB te stappen.

Hans viel onder de kwalificatie zeer defensief. Dat trof, want de soliditeit van de bank – een Dúítse bank nog wel – was vergelijkbaar met een tien meter hoog blok beton ter grootte van een voetbalveld. „IKB past in alle risicoprofielen”, zei de man van de vermogensbeheerder, „dus ook in ‘zeer defensief’. En dat bent u.”

Hans stemde toe en daarna ging het snel: de kredietcrisis spreidde zich als kwaadaardig virus over de internationale bankwereld heen, IKB bleek op riskante wijze in de Amerikaanse hypotheekmarkt te hebben belegd, noteerde een miljardenverlies, stortte ineen, kwam in de verkoop en de ‘zeer defensieve’ Hans raakte 10.000 euro kwijt.

Hans dacht aan de mogelijkheid die schade te verhalen. Maar jurist Rob van Rooij is daar pessimistisch over. Van Rooij is directeur van XS2Justice, een netwerk van zelfstandige juristen. „De kosten zijn erg hoog in relatie tot het geleden verlies. Ik zou daarom adviseren: zoek mensen die in hetzelfde schuitje zitten, want individueel red je het niet.”

Van Rooij wijst op clubs zoals de Stichting Woekerpolisclaim waarin ontevreden beleggers zich verenigen om verhaal te halen bij financiële instellingen. Liefst vergezeld van enige publicitaire druk. „Je bent nooit de enige”, weet Van Rooij. Dat bevestigt het Dutch Securities Institute (DSI), een stichting die de integriteit van financieel dienstverleners bewaakt. „Klachten van beleggers over een mismatch tussen hun profiel en het advies dat ze kregen”, zegt DSI-directeur Kees Oosterholt, „lopen de afgelopen tien jaar als een rode draad door de jurisprudentie van onze klachtencommissie. Er is heel veel misgegaan en er gaat nog veel mis, hoewel het wel steeds beter gaat.”

Het risicoprofiel is een middel om aan de wettelijke verplichting te voldoen dat een vermogensbeheerder bij zijn klant inventariseert wat zijn risicobereidheid is, welke kennis en ervaring hij heeft en of hij de merites begrijpt van het product dat hem wordt aangeboden. Deugt die inventarisatie niet, dan deelt de Autoriteit Financiële Markten een boete uit.

Van Rooij laat zich diplomatiek uit over het gebruik van risicoprofielen: „Helemaal waterdicht is het niet.” Tussenpersoon René Graafsma, die er dagelijks mee moet werken, is duidelijker. „Ze bieden schijnzekerheid.”

Graafsma is initiatiefnemer van Correct Advies, een stichting die de onafhankelijkheid van tussenpersonen probeert te waarborgen. Hij noemt de risicoprofielen invuloefeningen met acht vraagjes die niets met de menselijke maat te maken hebben. „Terwijl psychologie, beleving en gevoel cruciaal zijn bij het nemen van financiële beslissingen. Daarvoor is een vertrouwensrelatie met de tussenpersoon nodig.”

Van de relatie tussen klant en financiële instelling bij effectendienstverlening zijn er volgens de Nederlandse Vereniging van Banken grofweg drie soorten. De ‘execution only-relatie’ waarbij de klant zo’n beetje alles zelf doet, inclusief vaststellen van zijn beleggingsprofiel. Er is de Adviesrelatie waarbij de vermogensbeheerder de klant overvloedig adviseert, maar ook duidelijk maakt dat de klant voor eigen risico beslissingen neemt. En er is de Vermogensbeheerrelatie waarbij de klant het beheer geheel uit handen geeft en waarschuwingen krijgt als het rendement onverwachte dingen gaat doen.

Vraag het de vermogensbeheerder van Hans en hij zegt dat beleggen uiteindelijk de verantwoordelijkheid is van de geldbezitter. Echter, de klant kan gradaties aanbrengen in de intensiteit waarmee hij samen met de vermogensbeheerder zijn beleggingen bestiert. Zou Hans voor een intensieve relatie hebben gekozen met zijn vermogensbeheerder, dan was hij mogelijk tijdig gewaarschuwd voor het ineenstorten van het Duitse IKB. Maar ja, zegt Hans’ vermogensbeheerder: „Daar betaal je dan ook voor.”